Bekijk deze nieuwsbrief in de browser
 
logo

Kèk Efkes - jaargang 8 Nummer 61 - 15 juni 2026

Inhoudsopgave

1 - Inhoudsopgave

2 - Van de voorzitter

3 - Actueel

4 - In memoriam Gerard Schalkx

5 - Ger van den Oetelaar - Middeleeuwse Egelsgraaf nog aanwezig in Liempde, Hezelaar

6 - Jaap van der Woude - Archeokout 57

7 - Jasper Mikkers - Het leven van verhalen ofwel portret van een Liempdenaar, deel 3

8 - Ger van den Oetelaar - Middeleeuws Kasterens kartuizerpachtcontract

9 - Jan van de Sande - Barrierweg 3 - 5, deel 4

 

 

Van de voorzitter

door Arnold van den Broek

Aan de vooravond van de traditionele vakantiemaanden juli en augustus zijn we als erfgoedvereniging al voorzichting de najaarsactiviteiten aan het voorbereiden. Zo houd ik in op 28 september 2026 in bezoekerscentrum D'n Liempdse Herd een lezing met als onderwerp: 'Liempdse middenstand(sreclames) uit het verleden.' Benieuwd naar welke winkels we in Liemt allemaal hadden? Kom dan zeker eens luisteren, maar vooral kijken naar de wonderlijke reclameuitingen die onze voorvaderen bedachten om de klanten te lokken.

Maar eerst is komende woensdag 17 juni 2026 een excursie fietstocht naar de Boxtelse Sint-Petrusbasiliek. Vertrek om 19:00 uur bij D'n Liempdsen Herd. Kosten voor onze leden € 2,50. Voor niet leden € 5,00. Vanaf 19:30 uur krijgen we een rondleiding door de basiliek op plekken waar je normaliter nooit komt. Zelfs een heus cachot wordt bezocht, een ingericht museumpje op hoogte, om tenslotte via de gewelven af te dalen via een smalle wenteltrap. Een belevenis op zich. Ga je mee. Het is de moeite waard.

Onlangs hebben we na de algemene vergadering van maart 2026 binnen het bestuur de portefeuilles verdeeld, waarbij elk bestuurslid een of meer taakgebieden onder zijn of haar hoede heeft. In de rubriek actueel daarover meer. Met genoegen zien we terug op de lezing en de pubquiz die Harrie Raaimakers en Wilbert Steenbakkers op zondag 7 juni 2026 hebben gegeven voor buurtvereniging Kerkeind. Kortom, als erfgoedvereniging zetten we ons ook actief in voor de Liempdse gemeenschap. Zo hebben Wim van Erp, Wilbert Steenbakkers en Kees Quinten vrijdag j.l. onze nieuwe inwoners rondgeleid en hebben we tijdens het informeel samenzijn rond het vuur van de vuurput aan ledenwerving gedaan. 

Als u nu ook een of twee leden aanbrengt, dan moet het lukken om dit jaar de 100 leden te halen. Dat zou toch fantastisch zijn. Helpt u mee?

Wie op vakantie gaat wensen we als Erfgoedvereniging een veilige reis toe en mocht u leuke historische plekjes tegenkomen in binnen- of buitenland? Laat het ons weten met een mooie foto via info@kekliemt.nl  Wie weet zien we u dan op die foto terug in het septembernummer van Kèk Efkes. 

Voor wie thuis blijft. Ook in en om ons mooie Liempde valt genoeg te beleven via een van de fraaie wandelingen die we mede ook als Kèk Liemt hebben samengesteld. Wie weet loop je dan wel over het pad op de foto boven deze bijdrage? 

 

Actueel

17 juni 2026 19:00 uur excursie naar de Sint-Petrusbasiliek Boxtel

Onze voorzitter schreef er al iets over in Van de voorzitter. Fiets je woensdag mee naar Boxtel voor een uniek inkijkje in niet alleen het kerkelijk gedeelte van de Basiliek, maar vooral ook de rijke historie van dit reusachtige bouwwerk. Laat u verrassen wat dit, voor Boxtelse begrippen, immense bouwwerk in de loop der eeuwen heeft betekend voor Boxtel, maar ook voor Liempde. Vertrek om 19:00 uur vanaf D'n Liempdsen Herd. Als lid betaalt u slechts € 2,50, niet leden € 5,00. 

18 juni 2026 10:00 uur fotoherkenning in D'n Liempdsen Herd 

De eerste twee bijeenkomsten waren zeer geslaagd. Meer dan de helft van in totaal tachtig onbeschreven foto's van de beeldbank zijn inmiddels dankzij de inbreng van de aanwezigen van een toelichting voorzien. Een goede reden dus om deze activiteit voort te zetten. Eenieder die geinteresseerd is nodigen we daarom weer uit. Deze volgende sessie vindt plaats op donderdag 18 juni om 10:00 uur in D'n Liempdsen Herd. Je bent van harte welkom, de koffie staat klaar en het is nog gezellig ook!

30 en 31 mei 2026 Liempds' Kunstpad

Hoewel het weekend van het Liempds' Kunstpad al weer even achter ons ligt, in deze rubriek toch nog een kleine terugblik omdat we als Erfgoedvereniging er ook een kleine bijdrage aan hebben geleverd via het Liempdse leem. Immers leem stond centraal tijdens deze editie. Via ons lid Johan Verspay is Liemps' leem opgediept uit de bodem en zijn er leuke kunstwerkjes van gemaakt door professionele kunstenaars, maar ook door liefhebbers tijdens enkele workshops in D'n Liempdsen Herd. Groep 2 van speel-leercentrum De Oversteek zijn er ook mee aan de slag gegaan en dat bracht fantastische werkjes voort. 

foto: Peter de Puit - kunstwerk met Liempds' leem door kunstenares Jeanne van den Oever uit Hezelaar

Portefeuilleverdeling aandachtsgebieden bestuursleden

  1. Activiteiten - bestuurlijk aanspreekpunt Wilbert Steenbakkers. Lid Ellen van Giersbergen
  2. Archeologie Boxtel en Liempde - bestuurlijk aanspreekpunt Arnold van den Broek. Leden Dik Bol en Jaap van der Woude
  3. Archiefonderzoek extern - bestuurlijk aanspreekpunt Wilbert Steenbakkers. Lid Harrie Raaimakers
  4. Beeldbank Liempde - bestuurlijk aanspreekpunt Els Vissers. Leden Rinie van der Wiel, Harrie Raaimakers en Dik Bol
  5. Collectiebeheer - bestuurlijk aanspreekpunt Wilbert Steenbakkers. Lid Els Vissers
  6. Commissie straatnaamgeving gemeente Boxtel - lid Arnold van den Broek, plv. lid Wim van Erp
  7. Erfgoededucatie - bestuurlijk aanspreekpunt Kees Quinten. Leden Hans Bakx en Harrie Raaimakers
  8. Expositieruimte De Kleuskes - bestuurlijk aanspreekpunt Ellen van Giersbergen. Leden Els Vissers, Harrie Raaimakers, Jan van de Sande, Johan van den Langenberg en Frank van Bommel
  9. Ceremonie luiden geboorteklokje - bestuurlijk aanspreekpunt Arnold van den Broek. Leden Wim van Erp en Wilbert Steenbakkers
  10. Genealogie en bidprentjescollectie - bestuurlijk aanspreekpunt Wilbert Steenbakkers. Leden Ger van den Oetelaar, Els Vissers, Bettie van der Schoot en Ellen van Giersbergen
  11. Kleine cultuurhistorische elementen - bestuurlijk aanspreekpunt Hans Bakx. Leden Harrie Raaimakers en Jan van Vugt
  12. Nieuwsbrief Kék Efkes - bestuurlijk aanspreekpunt Els Vissers. Lid Hanneke van der Eerden
  13. Publiciteit & sociale media - bestuurlijk aanspreekpunt Arnold van den Broek. Leden Wilbert Steenbakkers en Kees Quinten, laatstgenoemde lezingen en excursieaankondigingen via SPPiLL
 

In memoriam Gerard Schalkx

door Arnold van den Broek

Op de dag dat deze Nieuwsbrief Kèk Efkes bij u in de mailbox valt, maandag 15 juni 2026, wordt onze hoffotograaf Gerard Schalkx bijgezet in het graf bij zijn echtgenote die hem 20 jaar geleden voorging. Waar blijft de tijd.

Met Gerard verliest ons dorp een karakteristieke persoonlijkheid en wij als Kèk Liemt onze fotograaf van het eerste uur. Samen met de nog zo kort geleden ook overleden oud-huisarts Roger van Laere hebben zij Kèk Liemt letterlijk in beeld gebracht. Roger met het woord en Gerard met zijn camera. Kèk Liemt  ademt deze unieke twee-eenheid. 

Met het uitbrengen van het boek 'Gerard Schalkx, onze dorpsfotograaf, zestig jaar fotografie in Liempde en het Groene Woud' hebben we als Kèk Liemt in november 2019 Gerard in het zonnetje gezet voor zijn tomeloze inzet om Liempde en haar omgeving op de gevoelige plaat vast te leggen. Geheel op zijn eigen wijze maakte hij de prachtigste foto's die een unieke kijk geven op het leven in en om ons dorp van vroeger en nu. Helaas is dat nu wat Gerard betreft voorbij.

Met het boek bracht Gerard ook een dichtbundeltje uit waarin hij zich een 'meester' toonde in taalkundige spitsvondigheden. Neem alleen nou maar eens de dichterlijke vrijheid van het 'Rooi Jantje.'

Op initiatief van Gerard kwam er het herindelingsmonument in de vorm van een vierkant blok. In het  blok foto's op CD van de laatste Liempdenaartjes, die hij in 1996 stuk voor stuk fotografeerde toen ze bij de plaatsing van de hardstenen blok bij de onthulling waren. Na het verlaten van de basisschool kwamen ze weer voor zijn lens, nu op de plaat gezet bij een van hun hobby's.

Als francofiel stond Gerard aan de basis van de 'Frans' getinte tentoonstelling in expositieruimte De Kleuskes (20 september 2014) bij het bezoek van pater De Bresser aan zijn Liempde. In de jaren 60 van de vorige eeuw kwam de toenmalig fanfare Concordia in zijn parochie Revigny op bezoek. Ville de Tap, waarbij de Tour de France op 30 juni 1996 door Liempde zoefde, werd door Gerard op unieke wijze in beeld gebracht, specifiek de voorpret was legendarisch met Napoleon Bonaparte neergezet door Frans Adriaans. 

Bij 50 jaar bevrijding van Liempde op 24 oktober 1994 tekende Gerard mede voor de inrichting van de tentoonstelling in de brandweerkazerne, evenals bij de tentoonstelling 150 jaar fanfare Concordia, 50 jaar Kèk Liemt en de 50ste Boeremèrt Liemt in 2024 in bezoekerscentrum D'n Liempdsen Herd.

Zijn laatste grote klus, waaraan we als Kèk Liemt mede vorm hebben gegeven, was zijn boek 'Liemt Wind Wijzer' dat op 7 november 2024 in dienstencentrum De Kloosterhof het levenslicht zag. Gerard was er zichtbaar van onder de indruk mede omdat zijn broos wordende gezondheid hem toen al parten speelde. 

Gerard bedankt voor wie je voor Kèk Liemt was. Vaarwel en tot ooit. 

 

Vrijgezellenfamilies in Liempde, hulp gevraagd

Door Ger van den Oetelaar

Els Vissers en Ger van den Oetelaar zijn alweer een tijd bezig om de vrijgezellenfamilies van Liempde in beeld te brengen. Nu ze al een heel eind gevorderd zijn komen een aantal zaken naar boven. Van sommige vrijgezellenfamilies zijn veel illustraties beschikbaar. Dat geldt bijvoorbeeld voor familie 1885 Van Boeckel  (1885 het jaar dat de ouders trouwden, zie illustratie uit 1904); 1888 Van de Velden Kleuskes en 1883 Van Lieshout. Van minder bekende vrijgezellenfamilies ontbreken foto’s en illustraties helemaal. Hierbij drie voorbeelden waarvan we behoefte hebben aan foto’s en afbeeldingen.

1876 Van den Broek (kinderen van Jan van den Broek en Maria Theresia Clercx). Van de vier leden van de vrijgezellenfamilie is alleen van Toon (1877-1955) een foto beschikbaar, terwijl er van Clara Gerardina (of Geertruida) van den Broek (1888-1963) en Anna Cornelia (Anna) van den Broek (1891-1957) (nog) geen foto's beschikbaar zijn. Terwijl ze eigenlijk niet zo heel lang geleden gestorven zijn.

1872 Appeldoorn De Thijssen of Thijsjes (kinderen van Martinus Appeldoorn en Barbara van den Langenberg). We zoeken foto's van Wilhelmina Maria (Mina) Appeldoorn (1878-1947) en Wilhelmus Cornelus (Willem) Appeldoorn (1882-1949), die beiden in de latere 'De Punder' woonden en werkten.

1852 Van Rooij (kinderen van Jan Cornelus van Rooij en Johanna Maria Verhoeven). Er zijn maar liefst vijf leden die op Den Berg woonden, op de plek van Van Kemenade, waarvan we foto's zoeken. Het gaat daarbij om Gerardus van Rooij (1953-1924), Theodorus van Rooij (1855- 1934), Franciscus van Rooij (1860-1932), Cornelia van Rooij (1862-1935) en Martinus van Rooij (1872-1922).

Wellicht kunnen leden van Kèk Liemt helpen en beschikken ze zelf over foto’s (en mogen we er een digitale scan van maken) of kennen ze mensen waarmee we contact op kunnen nemen. Alvast dank!

 

Archeokout 57

Door Jaap van der Woude

Er wordt wat afgereisd in de wereld en dat loopt lang niet altijd goed af. Je zult maar een Somalische scheidsrechter zijn of Senegalese voetbalfan. Je komt het beloofde land niet in. Of je vlucht voor oorlog of discriminatie, dan staat het geteisem van de straat of van de extreem rechtse politiek (van D'66 tot FVD) jouw levensgeluk ook in den vreemde in de weg. Wel heel erg bont maakte Lidewij het die het bestond in de Tweede Kamer te melden dat het een feit was dat de oorspronkelijke bewoners hier blank waren. Waarmee ze zich aansloot bij haar baas die het over de boreale wereld had, een term die verkapt racistisch gedachtengoed aangeeft, het zogenaamde hondenfluitje.

Er bestaat niet zoiets als oorspronkelijke bewoner van een gebied. De moderne mens beweegt zich over deze aardkloot, vestigt zich, wordt verdreven, vermengt zich en dat doet ze hier in Europa al een slordige 40.000 jaar. Daarvoor deden de Neanderthalers dat en Homo erectus. Als je na de laatste ijstijd kijkt, was het een komen en gaan van allerlei groepen mensen met nauwlijks vaste woon- of verblijfplaats. En, mevrouw De Vos, de jager-verzamelaars van het mesolithicum alhier waren donker, tot zwart, met blauwe ogen. Zij zijn verdrongen en versmolten met de bruine anatolische boeren in het neolithicum en daarna vanaf de kopertijd overrompeld, verdreven en opgegaan in de Yamnaya's, blanke herders van de Oekraïense steppen. Sindsdien zijn er alleen nog schommelingen en verhuizingen van kleinere aard geweest: Kelten die verdreven werden door Romeinen en Germanen, volksverhuizingen, veelal van noord naar zuid en van oost naar west, Franken die op hun beurt weer invloed van de Noren en Denen ondervonden enzovoort. Ons DNA heeft veel genen van de steppenvolken, iets minder van de boeren en nog minder van de jager-verzamelaars, maar we hebben het. Zelfs bezitten we nog sporen van de Neanderthaler. Daarnaast zijn er nog zoveel mensen die we zelf hierheen gehaald hebben, of waarvoor we anderszins verantwoordelijkheid droegen. Ze kwamen mee met de Romeinen, met de handelaars en door onze koloniale misdragingen. En alles beklijft in onze genen. Eigenlijk geldt dat overal, er is zoveel gemengd, gemuteerd, versmolten en doorelkaar geklutst dat je niet van rassen kunt spreken. Als er ergens grote DNA verschillen te vinden zijn is het wel in Afrika, maar ook daar bestaan er biologisch gezien geen rassen.

Wie kan dan met droge ogen beweren dat er zoiets als oorspronkelijke bewoner bestaat? Wilders, Baudet, Janmaat bijvoorbeeld en het tuig lijkt altijd weer aanhang te kunnen vinden. Wat zit daar toch achter? White supremacy? Angst de macht te verliezen? Het westen bezoedelt zichzelf al lange tijd met de vreselijkste rassentheorieën en uitwerkingen daarvan, te denken valt aan het christendom (Cham, zending, anti-Joods), de eugenetica (gepromoot door de opa van Lidewij), theosofie, antroposofie, ariosofie en apartheid, maar de ergste vorm kennen wij als het nazisme en de bijbehorende rassenhygiëne die uitmondde in de slachting van een slordige 8 miljoen zogenaamde non-ariërs. Moeten we Lidewij in die hoek plaatsen? Ze doet er vreselijk haar best voor.

Bovendien, wie zijn wij dat we mogen bepalen wie hier thuis hoort? Als er ergens mensen waren die als gelukszoeker elders aan de bak wilden, dan waren wij Europeanen dat wel. Beginnend bij die rare jongens via allerlei ontdekkingsreizen en kolonialisaties beheersten we de gehele wereld. We verdienden eraan, oefenden de macht uit en moordden  als dat financieel of politiek zo uitkwam. Nu zien we met lede ogen aan dat onze Amerikaanse nazaten dat nog es dunnetjes overdoen. Tsja. Bezit van land vind ik onnatuurlijk, wij zijn van de wereld en de wereld is van iedereen!

Ja, ja, U hebt gelijk, dit is geen echte archeokout. Toch moest ik het kwijt, met name in het belang van geschiedenis en archeologie, waarbij ik voor het gemak archeologie zie als een vorm van geschiedenis die vooral het onbeschreven leven onderzoekt en het beschrevene verifieert. Geschiedenis zou ons inzicht moeten geven in de vorming van samenlevingen en het herkennen van patronen daarin. Die kennis kan ons helpen de steeds complexere verhoudingen in de wereld en haar bevolkingsproblematiek te begrijpen en in goede banen te leiden. De geschiedenis lijkt zich te herhalen, maar het gaat meestal net een beetje anders, daar moeten we van leren. Immers echt herhalen zou doodzonde zijn en een bewijs dat we educatieresistent zijn. Ik beschouw geschiedenis dan ook als het belangrijkste vak voor onze schoolgaande jeugd. Helaas denken beruchte geschiedvervalsers als religie, nationalisme en machtsbescherming er net zo over waardoor veel propaganda geslopen is in de geschiedenislessen en het zicht van velen daardoor is vertroebeld. We hebben de voorbeelden bijna in iedere kout mogen zien. Soms geloofde men zelf wat men loog, maar wat ik hier van Lidewij zag is puur bedrog. Zij is een academica en Thierry is zelfs gepromoveerd, dan mag je toch verwachten... Zoniet, dan kan ik niet anders dan boze opzet vermoeden en een alternatieve agenda. We kennen het gezegde maar al te goed: Als De Vos de passie preekt, boer pas op je kippen.

Volgende keer gaat t weer over onze lieve viking vrienden. 

 

Het leven van verhalen ofwel portret van een Liempdenaar 3

Door Jasper Mikkers

HET LEVEN VAN VERHALEN OFWEL PORTRET VAN EEN LIEMPDENAAR 3

In mijn vorige twee bijdragen aan de nieuwsbrief heb ik verteld dat er in dorpen veel verhalen worden verteld. Om vast te kunnen stellen of die waar of niet waar zijn, ontmoette ik Hans van den Biggelaar, zoon van Jan van Lientjes. Hij vertelde dat de verhalen die over zijn familie de ronde deden echt verzinsels waren.

Ik had mijn gastheer Hans vier verhalen voorgelegd en alle vier waren pure verzinsels, zo verzekerde hij me. Wilde ik verhalen horen die wél waar waren?

Nou en of.

‘Ik had in die tijd groot respect voor belangrijke figuren,’ zo stak Hans van wal. ‘Weet je, ik ben niet dom, maar in die tijd was ik jong en behoorlijk onnozel. De pastoor, dokter, burgemeester en politieagent, dat waren mensen die deugden. Zo dacht iedereen erover. Die doen geen foute dingen. Van de pastoor had ik een heel hoge pet op. Ik dacht dat die nooit piste. Ook kon ik me niet voorstellen dat die een onderbroek aan had onder zijn pij, want ik had hem nooit langs de straat zien staan pissen. Zoiets ordinairs als een onderbroek, dat viel niet te rijmen met de voornaamheid van meneer pastoor. En nooit mocht er één kwaad woord over een priester gezegd worden, hè. Mijn vader had twee broers die kapucijn waren. Een van hen werkte in de missie op Sumatra. Hij kwam een keer op bezoek en ik zag hoe hij in de gang de vrouw die hij bij zich had, kuste. Ik zei dat later tegen mijn vader. 'Houd stil die grote mond van jou,' zei die. Daarmee was het klaar. Ik werd niet geloofd.’

Moest ik Hans vertellen dat ik zelf een halve kapucijn was? Dat ik zeven jaar op het seminarie van de kapucijnen in Oosterhout had gezeten, van mijn dertiende tot mijn twintigste? Nee, dat zou Hans maar afleiden.

‘De kapucijnen kwamen bij ons thuis langs. Ze haalden graan op, je weet wel, haver, tarwe, gerst. Ze waren in gezelschap van Jan de Lepper. Die had een fiets bij met een karretje erachter. Hij bracht het vrachtje graan naar de mulder, die maalde het en het meel werd verkocht aan de bakker. Die bakte er brood van. Trouwens, wil je nóg een bak thee?’

‘Nee, het is goed zo.’

‘Jouw vader,’ zei Hans, ‘dwong ook respect af. Maar dat wilde niet zeggen dat hij me kon laten doen wat hij wilde. Hij sommeerde mij een keer te stoppen. Ik had geen achterlicht en hij wilde me beboeten. In de Oude Postbaan was dat, vlakbij huis. Voor de politie stoppen? Nooit van gehoord. Ik reed hard weg, achter het huis van Van Giersbergen door. Die woonde tegenover ons. Op het achtererf van Van Giersbergen lag een mesthoop en er was een greppel met dunne drab, vloeibare mest. Op een bepaalde plek, ergens in het midden, lag een smal plankske. Het was donker en jouw vader wist niet dat je over dat plankske moest fietsen. Hij hotste botste de greppel in en vloog voorover van zijn fiets. Dat was lachen, jongen.’

Dat kon ik me heel goed voorstellen.

‘We waren bevriend met den André hè, jullieje Cor en ik. André Cloin. Ik schaakte wel eens tegen den ouwe Cloin, op zondag. Schaken of dammen. Als hij niet kon winnen werd hij kwaad. Hij kon er niet tegen dat hij verloor en hij verloor altijd. Dat was ginne makkelijke en sympathieke, diejen ouwe Cloin. Ze hadden een werkster, de Cloins, en op een dag fietste die over het trottoir. Dat mocht niet. Dat was tegen de wet. Wat gebeurde er dus? Cloin verbaliseerde haar. Zijn eigen werkster. Zoiets bestaat toch niet? Bij hem klopte dat weer wel. En ze bleef gewoon komen. Maakte het huis schoon, klopte het stof uit de matten. Alsof er niks gebeurd was. Zo ging dat. Hij ligt nu hier in Best vooraan op het kerkhof. Dat is de plek die bij hem past. Zo kan hij overzicht houden over het kerkhof. Of het daar wel gaat zoals het hoort. Oh ja, nog zoiets. Ik ben lang lid geweest van de plattelandsjongeren. De zoon van Nelis Traa, hoe heet hij, was ook lid. Bij het sporten werd zijn portemonnee uit zijn broek gejat. Die lag daar. Nagegaan werd wie de dief zou kunnen zijn. Uiteindelijk kwam als dader André Cloin uit de bus. André was niet lang daarna bij ons in huis. Wat denk je dat er gebeurt? Opeens vloog de deur open en daar stond agent Cloin, zijn vader. Hij greep een bezem die daar stond of was het een spinnekop en begon daarmee op André in te slaan, terwijl hij schreeuwde dat André een pak slaag verdiende vanwege die diefstal. Hij sloeg net zolang totdat de steel brak. Zo was hij. Echt niet nog een kop thee?’

‘Ja, goed dan.’ Toen Hans weer zat, zei ik: ‘Er was zeker veel werk op de boerderij.’

‘Als jongen moest ik al vroeg meewerken op het bedrijf. Met zeven jaar molk ik al de koeien, ’s winters op stal en in ’s zomer op de wei. Ik begon met één koe toen ik vijf of zes was. Een jaar later kwam er een bij. Een jaar later weer een. Ik moest ook koren maaien en binden. Helpen bij het aardappelen rooien. Dat ging niet met een machine zoals tegenwoordig, maar gewoon met een riek. De aardappelen werden in manden naar de rand van de akker gebracht en daar op de wagen geladen. We moesten ook groen plukken. Kleine knollekes met loof eraan. Ik ploegde ook, toen ik zeven of acht jaar oud was. Met twee paarden.’

‘Ploegen met twee paarden, zeven jaar oud?’

‘Ja, dat is me jong aangeleerd. Maar ik heb niks te klagen over mijn kindertijd. Ik heb een heel leuke jeugd gehad. Maar doordat ik moest helpen op de boerderij, kon ik vaak niet naar school. Dat werd bijgehouden, hè, hoe dikwijls een jongen spijbelde. Aan het eind van een schooljaar had ik 80 keer gespijbeld. Mijn vader moest naar school komen. Daar legde hij uit hoe dat kwam. Hij had ook mijn rapport meegenomen en dat liet hij zien. Het bleek dat ik tot de beste leerlingen van de klas hoorde, ook al was ik dikwijls absent geweest. Maar ja, zo kon het niet. Daarop moest mijn vader verschijnen voor de rechter in Den Bosch. Die zei dat hij het kon begrijpen, maar hij moest wel vonnis wijzen. Hij legde een boete van tien gulden op.’

‘Je vertelde dat jullie het niet breed hadden, in die tijd.’

‘Mijn vader bakte zelf het brood. Dat was zwaar werk, het kneden van het deeg voor tien broden. De broden werden in de kelder bewaard. Wanneer we aan het tiende brood toekwamen, zat er soms schimmel op en het was taai. Het was hard. Mijn vader sneed schijven van het brood, daar waar schimmel op zat, net zo lang tot de schimmel weg was. Wat overbleef werd in de melk gedaan en er werd broodpap van gemaakt en dat aten we dan op.’

Ik begreep dat dit alles wel waar was. Dat kon niet anders.

(Wordt vervolgd.)

 

Middeleeuws Kasterens kartuizerpachtcontract

door Ger van den Oetelaar

Op 2 januari 1477 verpachtte procurator Thomas van Driel voor een periode van acht jaar vanaf Pinksteren 1476 aan Klaas van Herenthom een kartuizer hoeve op Kasteren, nu Het Groot Duijfhuis, zie 15e eeuwse afbeelding van Jos Bertens. Opzeggen van de pacht moest gebeuren binnen veertien dagen na Kerstmis. Pinksteren als ingangsdatum lijkt vanuit landbouwkundig oogpunt een vreemde datum. Vooreerst omdat deze datum kan vallen tussen 10 mei en 14 juni. Het betekent tevens dat de grond veelal bewerkt en ingezaaid moest zijn als de nieuwe pachter op de hoeve kwam. Het had ook als gevolg dat de pachter pas met Pinksteren het volgend jaar zijn pacht hoefde af te dragen. Komend op de hoeve kon de nieuwe pachter met weinig investeringen oogsten, de grond na de winter bewerken en inzaaien en pas dan zijn pacht over het eerste jaar voldoen. Aan het eind van de pachtperiode moest hij evenwel bewerken en inzaaien zonder te kunnen oogsten. Het pachtsysteem gaf door deze handelwijze een gemakkelijke toegang voor de nieuwe pachter.  

Klaas van Herenthom moest de jaarlijkse lasten die op de hoeve rustten betalen. Dat bleek een heel scala: aan de Heilige Geest van Boxtel 1 mud rogge, aan Jan van Maren 3 mud rogge, aan jonkvrouwe Heilwig Schilder 8 mud rogge, 2 zester raapzaad, 5 steen vlas en 6 voeder turf. De lasten aan derden waren al hoog. Daar kwamen dan nog de verplichtingen aan het klooster bij: 7 peter van 18 stuivers per stuk, 10 stuivers en 100 eieren. Hij moest ieder jaar met Pinksteren een kwitantie overhandigen aan de procurator om aan te tonen dat dit alles afgedragen was. Deze lasten waren tevoren op de hoeve gevestigd door het klooster of door vroegere eigenaren. Aan het klooster moest Klaas jaarlijks op Maria Lichtmis (2 februari) enkele vaste elementen van de pachtprijs afdragen: 17 lb payment, 5 steen vlas, zodanig bereid dat het meteen over de hekel gehaald kon worden voor verdere bewerking, 2 peter (een munt die hier gewaardeerd werd op 18 stuivers per stuk) en 100 eieren. Het valt op dat de pachttermijn inging met Pinksteren en dat deze onderdelen al op 2 februari betaald moest worden.

Het vlas werd vaak geteeld om het zaad. Daarvan kon olie geperst worden en van wat overbleef konden lijnkoeken voor het vee gemaakt worden. Maar de toevoeging dat het vlas klaar moest zijn voor de hekel, hield in dat het geroot was en gezwingeld en dat het gebruikt werd voor de productie van linnen. Door het roten, het geruime tijd in het water laten liggen, lieten de vezels van de stengels los. Bij het zwingelen werd de harde buitenkant van de stengel verwijderd. We weten niet of de kartuizers dit halffabricaat zelf verder bewerkt hebben of het verkocht hebben. De geleverde eieren zullen op het bord van de kloosterlingen beland zijn. Ze vormden een belangrijk element in de kartuizervoeding, maar komen in de meeste contracten van dit type voor. Bovendien moest Klaas arbeid leveren. Hij moest jaarlijks 300 elzenpoten en 100 wilgenpoten planten op de plek die het klooster hem zou wijzen. Hij moest ze zetten op de hoeve of binnen een halve mijl (3 à 3,5 km) afstand ervan. Hij diende vervolgens dit pootgoed en andere jonge ‘stoelen’ van afgehouwen hout (de stompen van waaruit nieuwe twijgen groeiden) vooral in het eerste jaar zo te beschermen dat ze niet vernield of afgevreten werden door het vee. Hij moest ieder jaar 300 ‘rijs’ (bundel samengebonden hout, mutsaard of ‘muster’) afhouwen, opbinden en naar Vught of Den Bosch brengen op aanwijzen van de procurator.  Het vervoer naar Vught duidt op gebruik in het klooster, bijvoorbeeld om de broodoven mee te stoken. Alle ‘beesten’ (het vee) op de hoeve waren half van het klooster en half van Klaas. Dit gold ook voor de bijen en bijenkorven die in onderling overleg gehouden werden. Ook in andere contracten van dit type worden bijen genoemd. Honing was in die tijd de belangrijkste zoetstof. Dat ieder de helft van het vee bezat betekende in de praktijk dat het vee gemeenschappelijk eigendom was en dat de opbrengst gedeeld werd. Het voer werd door beide partijen voor de helft betaald. Klaas mocht geen beesten houden of weiden dan die het klooster en hem gezamenlijk toebehoorden en ook niemand met deze beesten van dienst zijn, tenzij met goedkeuring van de procurator. Deze bepaling was kenmerkend voor deze wijze van verpachten die meestal ‘Kempisch stalrecht’ of ‘halfpacht’ genoemd wordt. In de akten zelf sprak men meestal van verpachting ‘ten halven’.  Onder de beesten werd enkel het viervoetige vee gerekend, soms was het beperkt tot het rundvee. Kippen of ganzen waren er in ieder geval van uitgezonderd. Partijen gingen er bovendien van uit dat Klaas 1000 hopkuilen zou aanleggen. Daarvoor was ongeveer een halve ha nodig. De opbrengst ervan zou gedeeld worden, maar als hij minder dan 1000 hopkuilen zou aanleggen, ging het tekort van zijn deel af. De arbeid en bijkomende kosten werden gespecificeerd. Klaas moest de hopbellen plukken, drogen en de tiend ervan betalen. Hij mocht de staken waarlangs de hop geleid werd, hakken van de wilgen die het klooster hem op de hoeve zou wijzen. Hij mocht geen oude staken gebruiken, behalve in het laatste pachtjaar. Alle staken moesten op de hoeve blijven, evenals mest en ander ‘ruwaer’. De laatste term (‘ruwe waar’) was een verzamelnaam voor al het organische materiaal uit de natuur dat de hoeve tot bemesting kon dienen (mest, gras, kruiden, bladeren, takken en dergelijke). Het was de verpachter er alles aan gelegen dat de pachter de grond niet uitputte. Alle mineralen (meststoffen) moesten daarom op de hoeve blijven. Klaas moest de heide die bij de hoeve hoorde, maaien en beweiden zoals gebruikelijk was. In het laatste jaar van zijn pachtperiode mocht hij alleen nog hei maaien na de oogstmaand om er vier of vijf voeder (karrevrachten) mest mee te maken. In de winter mocht hij de hei niet beweiden.

De gebouwen waren van het klooster. Klaas moest ze in goede staat te houden wat betreft de vreden, graven, tuynen ende wallen. Vreden en tuinen sloeg op de afrasteringen, graven sloeg op de sloten. De buitensloten moesten in de pachtperiode een keer volledig opgegraven worden en bij een halve pachtperiode voor de helft. De wallen waren de aarden ophogingen waarop vooral hout groeide. Dit wallen hoefde hij niet alleen te doen. Ieder jaar moest hij de knecht van het klooster ermee helpen. Hij mocht alleen wilgenhout en wervenhout (werf is soort wilg) afhakken om de hoeve ermee te luyken. Mogelijk werd ermee bedoeld het dichtmaken van de wanden van de hoeve. De wanden waren gewoonlijk nog niet van steen maar van vitsel of vitselstek, een vlechtwerk van hout dat bestreken werd met leem. Hij moest het huis met 4 vim recht stro dekken op de plekken waar het het hardste nodig was, en de gebouwen van de hoeve in goede staat houden tot laets recht, dus zoals een laat (een pachter) betaamde. Als er binnen de pachtperiode getimmerd of gedekt moet worden aan de gebouwen, dan moesten de kartuizers als eigenaar het materiaal leveren en de timmerman en de dekker loon betalen. Klaas moest hun de kost geven en hen helpen. Ten slotte moest hij de burenrechten onderhouden: thuynscouwen, waterlaten te vegen, lant ende sant te houden ende andersins te schieten ende te genieten met sijnen gebueren. Dit sloeg op de gemeenschappelijke verplichting van de ingezetenen van een dorp om zaken van gemeenschappelijk belang mee te onderhouden, zoals openbare afrasteringen, sloten en wegen. De inwoners moesten er belasting (schot) voor betalen om het in stand te houden, zodat ze deze voorzieningen kon blijven gebruiken. Aan het eind van de pachtperiode kon de pachter vertrekken ‘met halver scharen’, dus met de helft van het vee. Bij overtreding van de voorwaarden moest hij al met de eerstvolgende Pinksteren vertrekken.

Halfpacht, zoals we dat in deze pachtakte tegenkomen, was eeuwenlang een gebruikelijke wijze voor heren met een omvangrijk grondbezit en voor grotere instellingen als kapittels en kloosters om hun boerderijen te exploiteren zonder zelf vuile handen te krijgen.

Er zaten voor- en nadelen voor beide partijen aan deze wijze van verpachting. Nadeel voor de verpachter was de gebrekkige controle die hij op de bedrijfsvoering kon houden, zijn voortdurende zorg om na de pachtperiode niet met een hoeve achter te blijven die in waarde verminderd was, de noodzaak zelf te investeren in vee en het gevaar van een incompetente pachter. Zijn voordeel was dat hij voor zijn grote bedrijven, zeker in moeilijke tijden, gemakkelijker pachters kon vinden die in staat waren het bedrijf op zich te nemen. Voor de pachter was het voordeel gelegen in een geringere investering om zijn bedrijf te kunnen starten en een gedeeld risico. De keerzijde was een hogere pachtsom, een lagere winstverwachting en bemoeienis met zijn bedrijfsvoering.  

 

Middeleeuwse Egelsgraaf nog aanwezig in Liempde, Hezelaar

door Ger van den Oetelaar 

Een van de meest bijzondere waterlopen van Liempde is De Egelsgraaf. We schreven al vaker over deze waterloop. Alle waterlopen lopen naar de Dommel toe, de Egelsgraaf juist niet, deze was juist bedoeld om Dommelwater naar de Antselse watermolen te brengen. In 1314 was deze gegraven waterloop er al. Het watersysteem maakte via de (in de veertiende eeuw gereguleerde) Egelsgraaf, onderdeel uit van dat oorspronkelijke elfde-eeuwse Ten Hulst. Van De Egelsgraaf is op sommige plekken alleen een laagte over, op andere plekken is het een wat bredere watergang, zoals te zien op de in 2026 genomen foto van Bert Vervoort. Via De Egelsgraaf wordt vanuit de Dommel (ter hoogte van ongeveer het huidige Rooise landgoed Den Hulst, 450 meter oostelijk van de Antselse watermolen) water afgetakt van de Dommel en binnendoor naar de Groote Waterloop geleid.

De Egelsgraaf ligt anno 2026 geheel binnen de voormalige gemeente Liempde en is voor een deel ook de grens tussen Sint-Oedenrode (nu Meierijstad) en Liempde. Net stroomopwaarts van de Antselse Watermolen mondt deze gegraven loop (750 meter lang) uit in de Groote Waterloop. De naam van deze loop refereert aan de echel, de grote bloedzuiger. Op Hezelaar aan de Dommel is het 14e-eeuwse Liempde (of wellicht nog ouder) in het landschap nog duidelijk te zien. 

 

Barrierweg 3 - 5, deel 4

Door: Jan van de Sande

Barrierweg 3 

Op Barrierweg 3 heeft tot 1911 Maria van der Wiel gewoond. Zij was getrouwd geweest met Jan Welvaarts uit Kleinder Liempde. Zij had hier een herberg en winkel. In deze herberg heeft handboogvereniging La Récréation lang haar clubhuis gehad (zie deel 3). In 1904 viert La Récréation hier haar 60-jarig jubileum en ontvangt hiervoor van de koninklijke familie (Koningin Juliana, Prins Hendrik en Koninginmoeder Emma) een aantal zilveren medailles. In 1909 heeft La Récréation haar clubhuis bij Frans van Brunschot in de Liempdse Barrier.

Maria verkoopt in 1907 haar huis aan haar nicht Johanna Adriana Maria van den Berk, dochter van haar zus Arnolda van de Wiel. Johanna is dan 21 jaar oud. In 1913 bouwt Johanna een nieuw huis op de hoek Kaarpad – Barrierweg, de huidige Barrierweg 1, waar zij gaat wonen met haar ouders en twee broers. Johanna is op 4 september 1917 gehuwd met Antonius van de Pas, timmerman, wonende te Esch. Zij krijgen drie kinderen: Adrianus Lambertus Cornelius, geboren 2 augustus 1918, Albertus Franciscus Cornelius, geboren 30 juni 1920 en een kind levenloos geboren op 15 november 1921.
Maria van de Wiel gaat in juni 1912 inwonen bij de familie Theodorus van Berkel, adres Dorp A49, later het café en cafetaria Marinus van Pinksteren aan de Dorpsstraat. Maria is daar 18 december 1921 overleden. Of het huis van Johanna aan de Barrierweg 3 heeft leeggestaan is mij niet bekend, maar in mei 1923 huren Lambertus Welvaarts en zijn vrouw Johanna Verhagen het huis en gaan daar wonen. De precieze datum is niet bekend maar ze zijn vóór 1925 weer verhuisd, nu naar Hezelaar. In 1953 is er een kadastrale wijziging. De sectiegrenzen worden verlegd waardoor de Koestraat die eerst in sectie C was opgenomen nu onder sectie B valt. Het huis aan de huidige Barrierweg 3 staat dan bij het kadaster geregistreerd als Sectie B1805.

In 1955 wordt het huis door Johanna van den Berk verkocht aan Wilhelmus Matheus van Zeeland, koopman en confectionair uit Eindhoven. Het huis staat dan bij het kadaster vermeld als bouwval. Het perceel wordt voor de verkoop in gesplitst in perceel B1805, met bouwval, en perceel B1806 als bouwterrein. In datzelfde jaar bouwt van Zeeland op het perceel B1806 een nieuw huis en een confectiefabriek. Hiervoor heeft hij al een jaar eerder, op 6 December 1954, een vergunning aangevraagd en op 4 februari 1955 wordt de vergunning verleend. Het wordt een houten gebouw,  bestemd als atelier, van 50,81 m2 met een toilet en rookkanaal van 16 cm voor een kachel. De bouwkosten bedragen 4400 gulden. Als de fabriek klaar is verkoopt hij deze aan de NV Stoffen-, Voering- en Fourniturenhandel. Van deze NV heeft Wilhelmus van Zeeland alle aandelen. De combinatie is gevestigd te Eindhoven. Op 13 mei 1955 vraagt van Zeeland een vergunning aan voor de bouw van een woning op het perceel B1805. Deze wordt verleend op 9 juni 1955 en de bouwval wordt gesloopt. Het vloeroppervlak van deze woning bedraagt 68 m2 en heeft riolering, stapelput en rookkanalen van 18 cm. De bouwkosten bedragen 15.000 gulden.

NV Stoffen-, Voering- en Fourniturenhandel verkoopt het atelier in 1956 aan Wilhelmus van Zeeland. Op 13 mei 1957 dient van Zeeland een aanvraag in om het atelier uit te kunnen breiden met 30 m2. Deze vergunning wordt verleend op 31 mei. De kosten van deze verbouwing bedragen 9000 gulden. Vervolgens vraagt van Zeeland op 12 november1960 een vergunning aan om zijn woning uit te breiden. Deze vergunning wordt verleend op 12 juni 1961. De kosten van deze verbouwing bedragen 3500 gulden. In 1964 vestigt het atelier van de door van Zeeland opgerichte  ‘NV Confectiebedrijf W.J.M. van Zeeland’ zich op Barrierweg 5 (tegenwoordig Barrierweg 3) te Liempde. Maar al op 4 september van dit jaar wordt bij de Kamer van Koophandel de opheffing  van deze NV geregistreerd. Vervolgens wordt in 1965 in het kadaster een samenvoeging van percelen genoteerd waarop het atelier en de werkplaats staan. Deze gebouwen zijn beiden van hout. Direct hierna worden deze gebouwen gesloopt. Het perceel wordt nu kadastraal omschreven als erf. Op 10 mei 1969 vraagt van Zeeland weer een vergunning aan bij de gemeente. Nu voor het bouwen van een garage bij zijn huis op Barrierweg 3. Op 12 juni 1969 wordt deze verleend. De afmetingen van de garage zijn 7,3 m x 3,77 m x 2,6 m en de kosten bedragen 4000gulden. 
In 1974 wordt bovenstaand erf waar de ‘NV Confectiebedrijf W.J.M. van Zeeland’ was gevestigd verkocht aan Wilhelmus van Zeeland! In 1985 verkoopt van Zeeland het huis met erf, groot 10,08 are aan Jordanus Cornelius van der Velden (Jor de Köster), sinds 1969 eigenaar van wegrestaurant de Liempdse Barrier. Jor verkoopt datzelfde jaar nog het huis aan zijn zoon Dré van der Velden die er gaat wonen.

Bron: collectie Kèk Liemt, personeel broekenatelier Van Zeeland

Wordt vervolgd! 

 

Erfgoedvereniging Kèk Liemt


Keefheuvel 20, 5298 AK Liempde
E-mail: info@kekliemt.nl