Bekijk deze nieuwsbrief in de browser
 
logo

Kèk Efkes - jaargang 8 Nummer 57 - 15 februari 2026

Inhoudsopgave

1 - Inhoudsopgave

2 - Van de voorzitter, Harrie Raaimakers

3 - Actueel

4 - Contributie 2026

5 - Ploegerlandse Geschiedenisles, door Harrie Raaimakers

6 - Rooienaar Adriaan Brock en Liempde, door Ger van den Oetelaar

7 - Chrisje van Lieshout, deel 2, door Jasper Mikkers

8 - Archeokout, door Jaap van der Woude

9 - Veldwachter Lambert Bitter

10 - Gasthuizen uit Boxtel, Sint-Oedenrode, 's-Hertogenbosch en Liempde, door Ger van den Oetelaar

11 - Slagte vruuger toos (thuis) deel 2

 

 

Van de voorzitter

Door Harrie Raaimakers 

Algemene Ledenvergadering

Op 16 maart 2026 is het weer zover, dan vindt de jaarlijkse Algemene Ledenvergadering van onze Erfgoedvereniging Kèk Liemt plaats met na de pauze, als toetje en voor de gezelligheid, een leuke Pub Quiz met een prachtige prijs voor de winnaar. We hopen dan ook dat de opkomst net als andere jaren weer groot is.

Wel vraag ik nu al extra aandacht voor het agendapunt BESTUURSVERKIEZING. Allereerst omdat ons lid Ger van den Oetelaar per 1 januari j.l., op eigen verzoek, is afgetreden als lid van bestuur. Zijn bestuursfunctie wordt nu waargenomen door Els Vissers. Ger blijft wel actief als lid van onze vereniging en schrijver in de Nieuwsbrief. Volgens het vigerende rooster treden dit jaar ook de bestuursleden Hanneke van der Eerden en ondergetekende Harrie Raaimakers af. Beiden zijn niet herkiesbaar. Hanneke in verband met haar verhuizing naar 's-Hertogenbosch en ik om persoonlijke omstandigheden. Hanneke blijft vooralsnog wel actief als redactielid van onze Nieuwsbrief. Ikzelf blijf ook betrokken bij de werkzaamheden waar ik me aan geconformeerd heb.

Resumé, er blijven dus slechts vier bestuursleden over van het oorspronkelijke bestand van zeven. We zijn daarom op zoek naar leden (zowel mannen als vrouwen) die bereid zijn de ontstane vacatures in te vullen. Vele handen maken immers het werk licht. Dit was zo en dit willen we graag zo houden. De ervaring heeft geleerd dat met zeven bestuursleden de werkdruk zeker goed te doen is. Mocht je interesse hebben en nader geïnformeerd worden, schroom dan niet en neem vrijblijvend contact op met het secretariaat of rechtstreeks met mij. 

Maar eerst vieren we Carnaval! Zie mijn verhaal hieronder. Op de foto de jeugdprins van 1994, foto Piet van Oers Brabants Centrum

 

Actueel

23 februari 2026 om 19.30 uur lezing: 'Historisch landschap van mensen en zijn geschiedenis' door Jan Timmers                               

Door ingrijpen van de mens ontstond in de loop der eeuwen ons cultuurlandschap. Vooral de agrarische bedrijfsvoering bepaalde de inrichting. Oude landschapselementen zijn in de loop der tijd aangepast aan nieuwe wensen en inzichten,maar deels bestaan ze nog. Met beeldend verteller Jan Timmers uit Gemert gaan we op zoek naar voorbeelden in onze omgeving. Aanvang van de lezing in bezoekerscentrum D'n Liempdsen Herd 19:30 uur. Inloop vanaf 19:00 uur. De toegang is gratis. 

16 maart 2026 om 19:30 uur - Algemene ledenvergadering Erfghoedvereniging Kek Liemt in bezoekerscentrum D'n Liempdsen Herd. Noteer deze datum alvast in uw agenda. De uitnodiging uiterlijk 10 dagen voor de vergadering. 

26 februari 2026 om 20.00 uur lezing: 'Koorts en Honger,' geneeskunde op het platteland door Hans van den Broek, in zaal Rembrandt Boxtel, zie Boxtel Kroniek januari 2026. 

Erfgoedvereniging Kèk Liemt en Heemkunde Boxtel hebben regelmatig contact en willen elkaar waar mogelijk versterken. Daaruit is het idee ontstaan om de Boxtel Kroniek aan zowel de Boxtelse als Liempdse leden toe te sturen. Het betreft hier een proef en tijdens de Algemene ledenvergadering polsen we graag uw mening over het ontvangen van deze Kroniek. En wilt u zelf eens een bijdrage plaatsen? Graag! Neem dan even contact met ons op via info@kekliemt.nl   

 

 

Contributie 2026

 

In de nieuwsbrief van januari stond de oproep om de contributie voor 2026 te betalen. Vermoedelijk is dit bij een aantal leden erin geschoten. Graag wil ik aan diegene verzoeken om de contributie voor de Erfgoedvereniging over te maken op rekening NL 35 RABO 0128 70 7852 onder vermelding van je lidnummer of naam. Voor één persoon is dit € 25,= en als jullie met 2 personen uit hetzelfde gezin lid zijn dan is het totaal € 37,50.

Alvast hartelijk dank.

Wilbert Steenbakkers, penningmeester

 

Ploegerlandse Geschiedenisles

Op de foto: Z.D.H. Prins Han d’n Urste met zijn gevolg de VoorTTrekkers (zittend eerste van links Riekske d’n Bes en derde van links Betje d’n Bes / Elisabeth van den Besselaar)

Door Harrie Raaimakers

D’n Urste of d’n Twidde keer - Ploegerlandse Geschiedenisles 

Dit jaar gaat Koldervorst Zijne Doorluchtige Hoogheid Prins Robby d’n Urste de Ploegers en Ploegerinnen voor in het Leutfestijn dat Carnaval heet. Volgend jaar is het dan weer de beurt aan een andere Leutmonarch, want Prinscarnaval van Ploegerland ben je maar eens in je leven.

Al vanaf de oprichting hanteert Prinsenvereniging ‘de Ploegers’ een aantal vaste regels voor de aanstelling van een Prins. Zo kunnen leden van de Prinsenvereniging geen prins worden, moet hij in Liempde wonen en kan hij slechts éénmaal voor één jaar worden benoemd. Toch hebben gedurende de 59 jaar dat ‘de Ploegers’ bestaan met Vastelaovond slechts 56 verschillende Leutmonarchen over ons mooie dûrpke geregeerd. Drie te weinig dus! Hoe komt dat?

Z.D.H. Prins Kiske d’n Urste, alias Gerard de Leest, later benoemd tot Grootvorst van Ploegersland, was d’n urste Prins van Ploegersland die 7 jaar na zijn urste aantreden in 1970, in 1977 voor d’n twidde keer de eer werd toebedeeld. Dit ondanks het feit dat hij lid was van ‘de Ploegers’. Hier werden dus maar liefst twee harde regels overtreden. Over de officiële reden hiervoor heeft de Prinsenvereniging zich altijd in stilzwijgen gehuld. Sommige Ploegers beweerden gehoord te hebben dat het een noodgreep was omdat de beoogde kandidaat zich op het laatste moment had teruggetrokken. Maar in het geruchtencircuit werd ook gefluisterd dat de Prinsenvereniging er voor gekozen had om met het 11-jarig jubileum voor zekerheid te kiezen door een ervaren iemand aan te stellen als Prins?!

Ook de Doorluchtige Hoogheden Prins Bernardus d’n Urste en Prins Robert d’n Urste en Twidde Keer viel deze eer voor d’n twidde keer te beurt. Hiervoor is destijds door ‘de Ploegers’ wèl een plausibele verklaring afgegeven. Voor het seizoen 2020-2021 zijn door toedoen van corona alle Carnavalsactiviteiten afgelast, met als gevolg dat er geen nieuwe Hoogheid aangesteld kon worden en dus van Z.D.H. Prins Bernardus d’n Urste geen afscheid genomen kon worden. Het gevolg was dat Prins Bernardus noodgedwongen en geheel gehuld in stilte nog een twidde jaar door moest regeren.

Bij Z.D.H. Prins Robert d’n Urste, later Robert d’n Twidde Keer, was het omgekeerde het geval. Bij zijn benoeming was het nog volop feest, maar tegen de tijd dat het feest der zotten in volle hevigheid los moest barsten gooide corona weer roet in het eten. (Noot: Alleen een stelletje malloten die zich het bondgenootschap 'GAOS' noemt heeft dit jaar tegen alle adviezen in de kinderoptocht en de Kolderzitting op Carnavalszondag op een geheel eigenwijze wijze door laten gaan, maar dit ter zijde.) Uit medeleven heeft men toen besloten hem het leutfestijn dat Carnaval heet niet te ontzeggen en mocht ook hij nog een twidde jaar aanblijven, nu als Z.D.H. Prins Robert d’n Twidde Keer.

Dan het volgende: mocht men van mening zijn dat Ploegersland eigenlijk 57 leutmonarchen heeft geteld dan help ik 'men' nu uit die droom. De Hoogheden Prins Populus I en II waren en zijn weliswaar twee entiteiten maar ook een ééneiige tweeling die altijd al onafscheidelijk - nog net niet Siamees - zijn en dus ook toen samen optrokken als zijnde één Koldervorst.

Maar hoe zit het dan met Z.D.H. Prins Han d’n Urste, alias Jan van de Sande? In het seizoen 1989-1990 zwaaide hij met zijn spreuk ‘Liemt Akkerdeert’ de scepter over Ploegersland. Maar was hij wel d’n urste? Immers, 26 jaar eerder in 1964 zwaaide er ook al ene Z.D.H Prins Han d’n Urste, alias Johan Troeijen,  zijn scepter over ons pittoreske dûrpke. Wel dat zit zo; in 1964 bestond Ploegersland nog niet. Ploegersland is pas op 11 mei 1967 door een paar Edele Zotkoppen onder leiding van onze plaatselijke groenteboer Jan van den Berk gesticht. Deze urste Prins Han d’n Urste, alias Johan Troeijen, uit 1964 zwaaide de scepter dus niet over Ploegersland. Sterker nog, niemand had in 1964 ooit nog van Ploegersland gehoord. D’n urste Prins Han d’n Urste was Prins van ‘de VoorTTrekkers’, een Carnavalsvereniging die thuis was bij Betje d’n Bes. Dus d’n twidde Prins Han d’n Urtse was wel degelijk d’n urste Prins Han d’n Urste van Ploegersland omdat d’n urste Prins Han d’n Urste nooit Prins is geweest van Ploegersland, ook niet toen diezelfde Prins Han d’n Urste in 1974 voor de twidde keer Prins Han d’n Urste werd, nu voor d'n urste keer van ‘de Deurzakkers’ bij café ‘de Sander’ …………………….…. snappie?
                                                                             ALAAF 

 

Chrisje van Lieshout, deel 2

Door Jasper Mikkers

Twee weken lang keek ik laat op de middag in de keuken van Chrisje naar de schoorsteen van het Vaticaan. Het verveelde me. Toch bleef ik ermee doorgaan. Iedereen zei dat het belangrijk was. Ik moest het meegemaakt hebben. Ik zou het nooit vergeten. Dat klopte.
Op de middag dat ik dacht dat er geen einde aan zou komen, kringelde er witte rook op. Ik twijfelde eraan, in het begin, of de rook wit was. Maar het wás witte rook. Zeiden ze op tv.

Chrisje gaf niet op. Hij bleef oefenen op zijn Jawa.
Hij was een gehaaide handelaar. Dat wist hij. Maar zijn ambities gingen verder. Vele Liempdenaren waren nauwelijks ooit buiten het dorp geweest. Soms fietsten ze naar Best, om in de winkel van de Batafabriek, in Wilhelminadorp, nieuwe schoenen te kopen. Een enkele keer gingen ze naar Eindhoven of zelfs Den Bosch om sinterklaasinkopen te doen of een jurk of kostuum te kopen.

Chrisje wilde meer van de wereld zien. Er ontwaakten ambities in hem. Hij vernam dat Fanfare Concordia met de bus naar Revigny in Frankrijk zou reizen om een concert te geven. Daar wilde hij bij zijn. Een instrument leren bespelen, dat zou niks worden. Wat dan? Bestuurslid worden.
Het bestuur van de fanfare bestond uit maatschappelijk geslaagde dorpelingen die elkaar een en ander gunden. Hoe kon hij een bres slaan in die gesloten gelederen? Met geld? Twijfelachtig. Het was hem ook niet gelukt een rij-examinator met het toeschuiven van wat geld over te halen hem voor zijn rij-examen te laten slagen. Hij vernam dat er een bestuurswisseling bij de fanfare aan zat te komen. Dat bestuur werd op democratische wijze gekozen. Eén bestuurslid trad af, Dries van Hal. Daar zag Chrisje een kans, ook al stelde Van Hal zich herkiesbaar.
In de jaren vijftig was in Liempde een drumband opgericht. Die verving de toonslagers, de grote trommen, in de fanfare ofwel harmonie. Leden van de drumband hadden stemrecht. Enkele keren achtereen bood Chrisje ze in het café een rondje aan. Op zeker moment opperde hij het idee dat ze bij de verkiezing van een nieuw bestuurslid zouden komen opdraven en op hem zouden stemmen. De drumband bestond uit jonge kerels. Het was een beetje een ongeregeld zootje. Op jou stemmen, Chrisje? Waarom niet? Jij hebt tenminste iets voor ons over. Chrisje versloeg Dries van Hal en niet veel
later zat hij aan het raam van de bus op weg naar Revigny en wees zijn medepassagiers naar koeien in de weiden langs de weg: ‘Dat zijn verrekkes mooie bisten. Zie je die uiers! Die glanzende vachten!’

Het werd tijd om lid van de gemeenteraad te worden. Eventueel wethouder. Ook een boer kon wethouder worden. Maar hoe dat aan te pakken? De wethoudersposten waren in het verre verleden verdeeld en er was geen reden om daar nog ooit verandering in aan te brengen. Hetzelfde gold voor de verdeling van zetels in de gemeenteraad die niet meer dan zeven leden telde.
Chris bezocht Het Wapen van Liempde, het café dat enkele jaren voorheen was overgegaan in de handen van voormalig opperwachtmeester van politie Goof van Breugel. Daar dronken burgemeester, wethouders en raadsleden altijd een borrel ’s avonds na de gemeenteraadsvergadering. Chris trok zijn portefeuille en betaalde rondje na rondje. Er werd op hem geproost. Over de eerste grappen die over hem gemaakt werden, stapte hij heen. Met een glimlach. Ze deden pijn. Maar alla. Toen er een grap gemaakt werd die toch wel erg hard aankwam, stapte hij op. Tien minuten later was hij terug, gewapend met zijn jachtgeweer. ‘Kom maar op. Vertel die grap nog maar een keer.’
‘Chris, zet dat geweer neer.’
Chris richtte op een raam. Een ruit vloog uit de sponning.
‘Vertel hem nou maar, die grap van jou.’ Hij richtte zijn geweer op de dappere lolbroek.
Opperwachtmeester Cloin werd erbij gehaald. Die begon proces verbaal op te maken.
‘Kom op,’ zei kastelein en oud-opperwachtmeester Van Breugel. ‘Er is niks gebeurd.’
‘Niks gebeurd? Ik dacht nogal.’
‘Nee, niks’ zeiden de anderen. ‘Wat dan?’
Na enkele regels geschreven te hebben stopte Cloin zijn bonnenboekje en pen weg.
‘Dan zullen we het hier maar bij laten.’
‘Hèhè,’ zei de burgemeester. ‘Eindelijk begin je iets van Liempde te snappen.’
‘Was dat nou niet een beetje overdreven?’ vroeg Van Breugel aan Chrisje terwijl hij een glas snevel voor hem neerzette.
‘Ja, een beetje wel.’
Chrisje werd geen wethouder. Zelfs geen gemeenteraadslid. Zijn ellebogen waren niet sterk genoeg om voldoende aanzien en macht te veroveren. Een eigen politieke partij oprichten en daarvan lijsttrekker worden, was ook nogal wat gevraagd. Chrisje was gewiekst genoeg om door te dringen tot de elite, maar hij had enkele dingen niet mee. Het ontbrak Chris aan voldoende aanzien. Hij verzorgde zich niet goed. Al schrobde hij zich thuis duchtig, de indringende paardenlucht die altijd om hem heen hing, ging niet weg. Ook had hij zijn houding niet mee. Terwijl hij praatte hield hij zijn hoofd scheef en hij had altijd een peuk in zijn mond. Dat hij in Frankrijk, tijdens de reis van de fanfare naar Revigny, in het bidet gepoept had in plaats van op de wc, op zijn hotelkamer, kwam zijn faam ook niet ten goede. Al waren er meer Liempdenaren die niet wisten waar een bidet voor diende.
Het lukte Chrisje van Lieshout uiteindelijk niet de gevestigde orde te doorbreken. Wel wist hij de nodige beroering te brengen in het leven in Liempde. En uiteindelijk slaagde hij er in een rijvaardigheidsdiploma te behalen. Bij Jan van Houtum, garagist, autoverkoper en medebestuurslid van Fanfare Concordia kocht hij een auto. Nou ja, wat heet. Een NSU’tje. Met wankelmotor.

 

Rooienaar Adriaan Brock en Liempde

Door Ger van den Oetelaar

Adriaan Brock (1775-1834), de beroemde koster uit Sint-Oedenrode, heeft veel gepubliceerd. In Sint-Oedenrode zijn ze erg blij dat ze uitgebreide vroege manuscripten hebben (uit 1815 en 1832) over Sint-Oedenrode. Blijkbaar had Adriaan Brock destijds tijd om alle archieven door te pluizen. Helaas heeft Liempde zo’n koster of onderzoeker nooit gekend. Adriaan Brock heeft in 1825 een manuscript over 'De Stad en Meijerij van ’s Hertogenboschof derzelver beschryving' geschreven dat in 1978 als boek is uitgegeven. Hij schrijft op pagina 214 kort over Liempde, met ook een extra korte bijdrage over Kasteren. Hij schrijft bijvoorbeeld dat in 1815 er 1040 Liempdse inwoners waren. Adriaan Brock woonde op De Hulst, dus ook vlak bij Hezelaar in Liempde. In 1834 stierf deze bijzondere man als vrijgezel. Uit de memorie van successie bleek dat hij ook eigenaar was van een stuk grond (ruim 1 ha, B665) in Liempde in het gebied Meulke, tussen de huidige Meulkensweg, De Groote Waterloop en de Dommel (zie illustratie.)

 

Archeokout

Door Jaap van der Woude

Het Merovingische rijk was dan wel een periode van welvaart en groei, maar het bestuur vertoonde in de zevende eeuw feilen en zelfs enige ontaarding, ook al dienen we ons te realiseren dat de overleveringen in meerderheid erg negatief gekleurd waren door de opvolgende Karolingen. Zo gaat dat, de nieuwe baas brandt de oude af tot op het bot en probeert daarmee zichzelf een kontje omhoog te geven. We zien het deze tijd bijvoorbeeld bij die idioot aan de overkant van de plas.

Vorige keer zagen we dat er in het noorden aan de randen van het Merovingische rijk geknabbeld werd door de Friezen, hetgeen uiteindelijk door Karel Martel in Frankisch voordeel werd beslecht. In het oosten werden de Alemannen en de Thüringers opstandig, in het noordoosten revolteerden de Saksen en onderling Merovingisch was het hommeles tussen Neustrië en Austrasië. Overal wist de hofmeier Karel Martel als vechtjas bij uitstek de orde te herstellen, voor zo lang als dat duurde. Het bekendst is hij geworden door de slag bij Poitiers in 732nbj waar hij de Moren versloeg en zodoende 'Europa redde van de Mohammedanen'. Althans, dat leerde ik zo op school. U wellicht ook. Dat de slag bij Tours was en twee jaar later, ach dat is een klein detail. Deze westerse versie van het gebeuren en de duiding ervan is een typisch voorbeeld van de strijd tussen culturen en/of beschavingen en de partijdige kleuring van onze historie. Maar daarover later, eerst de 'redding' van Europa en een korte schets van het daaraan voorafgaande.

Het Romeinse Rijk (denkt u daar nog wel eens aan?) werd in de vijfde eeuw min of meer overgenomen door de Germanen die snel assimileerden en zo in feite de Romeinse cultuur voortzetten. Het zwaartepunt van het rijk verschoof naar het Oost-Romeinse Rijk rond Constantinopel (voorheen Byzantium, later Istanbul). Maar ook daar was het een voortdurend grensconflict met vele binnenvallende legers. Met name de zeven eeuwen durende Romeins-Persische oorlogen hakten er stevig in. Het meest verwoestende slotakkoord was in het begin van de zevende eeuw de Byzantijns-Sassanidische oorlog. De Romeinse legers werden flink uitgedund door de oorlogsvoering en de Justiniaanse pest. (Terzijde: DNA onderzoek wees uit dat die is geintroduceerd door de Hunnen, het geen ook extra verklaart waarom geheel Europa daardoor getroffen werd.)

Juist deze tijd van verzwakking werd opgeluisterd door de Arabische veroveringen. Vrij eenvoudig werd het hele zuidelijke deel van het Oost-Romeinse rijk onder de voet gelopen en de Islam gevestigd van Turkije, via Egypte tot Gibraltar in krap 70 jaar. De bevolking stond open voor het verdringen van de Romeinen en hen werd godsdienstvrijheid gegund zolang ze de belasting maar betaalden. In nog eens 10 jaar werden de Visigoten onder leiding van Roderik verslagen en was het Iberisch schiereiland 'Moors' vanaf 711 nbj. De volgende stap was het binnendringen van het Zuid-Franse Aquitanië door een klein leger van opstandige berbers. De Moorse (Omayyadische) gouverneur Abdul Rahman vond dat niet goed en was vooral vertoornd over de banden van de berberse leider met de Frankische hertog Eudo. Zulks leidde tot een strafexpeditie waarbij Eudo werd verslagen bij de Garonne en Bordeaux werd geplunderd. Op naar Poitiers... Daar werd een hevige strijd geleverd met de falanxen van Karel Martel. Echter het doel van Abdul Rahman was plunderen en straffen en dat was gebeurd. Plots waren de Saracenen (Moren) vertrokken en de Franken lieten hen gaan.

Het lijkt erop dat er eigenlijk geen gevaar voor Saraceense verovering van West-Europa was. Dat wilden de kaliefen ook helemaal niet, ze vonden de verovering van Spanje al te erg. Sterker nog, men zou kunnen beweren dat het achteraf misschien helemaal niet gunstig was dat Karel Martel gewonnen had. Immers de Islam en haar leiders vormden een jonge nieuwe cultuur die veel meer open stond voor verandering en wetenschap uit alle windstreken. Spanje kwam al gauw tot culturele en wetenschappelijke bloei, terwijl West-Europa tradioneel bleef en een weinig vernieuwende en vooral donkere tijd inging onder de Karolingen. Op het einde van de achtste eeuw, bijvoorbeeld, was er een beroemde wiskundige Al-Khwarizmi die de vader van het algoritme was (kijk maar naar de overeenkomst in de naam) en een boek schreef over rekenen: Al-jabr, ons latere algebra, dat tot in de zeventiende eeuw het standaard werk was.

Merkwaardig is dat wij zo Grieks-Romeins-Christelijk zijn opgevoed dat we (of althans sommigen onder ons) denken dat wij in het westen een superieure beschaving en cultuur hebben en, erger nog, dat daaruit blijkt dat we een superieur ras zouden zijn. We leven met de misvattingen die zijn gepropageerd in de Renaissance en in de daaropvolgende periode van kolonialisme en imperialisme. Maar er zijn geen verschillende mensenrassen en zeker geen betere dan andere. Beschaving en cultuur worden gevormd door uitwisseling van ideeën en communicatie. Wij zijn gevormd door het geheel van menselijke ontwikkelingen door de millennia heen. Laatst verscheen er een boekje van Josephine Quinn, een Ierse historica onder de titel 'Het Westen, een 4000 jarige geschiedenis' waarin zij pleit tegen het beschavingsdenken en voor uitwisseling, communicatie en ontmoetingen. Het interview met haar in nieuwsuur is vast nog wel op het internet te vinden.

 

Veldwachter Lambert Bitter

Door Jan van de Sande

Veldwachter Lambert Bitter, gerechtsdienaar van de gemeente Liempde van 1798 tot 1818,

Albertus Bitter ook genaamd Lambertus en Hubertus, veldwachter van Liempde, gedoopt te Doesburg (Gelderland) op 27 maart 1765, overleden in het tuchthuis te 's-Hertogenbosch op 10 januari 1819, 53 jaar oud, zoon van Theodorus de Bitter en Sara Makkaij. Albertus was gehuwd met Maria Catharina van de Laar, spinster, gedoopt te Boxtel (Noord-Brabant) op 3 februari 1768, overleden te Schijndel (Noord-Brabant) op 10 november 1837 (partner heet Lambertus), 69 jaar oud, dochter van Sebastianus van de Laer en Cornelia Sweerts. Ze krijgen 5 kinderen: Wilhelmus Bitters, klompenmaker en dagloner, gedoopt te Boxtel (Noord-Brabant) op 5 juli 1796 (vader heet Lambertus), overleden aldaar op 20 mei 1882, 85 jaar oud. Dorothea de Bitter, gedoopt te Liempde (Noord-Brabant) op 8 januari 1798 (vader heet Lambertus), begraven aldaar op 9 maart 1798, 60 dagen oud.Joannes Cornelius de Bitter, gedoopt te Liempde (Noord-Brabant) op 20 februari 1799, begraven aldaar op 16 januari 1800, 330 dagen oud.Cornelia Bitter, gedoopt te Liempde (Noord-Brabant) op 3 januari 1801 (vader heet Hubertus), overleden te Schijndel (Noord-Brabant) op 26 december 1876, 75 jaar oud. Theodorus Bitter ook genaamd de Bitter, dagloner, gedoopt te Liempde (Noord-Brabant) op 23 april 1804 (vader heet Lambertus), overleden te Sint-Oedenrode (Noord-Brabant) op 3 december 1883, 79 jaar oud.(heeft 2 keer in de gevangenis gezeten: eerste keer als militair voor belediging en dreigende uitdrukkingen en de 2e keer wegens mishandeling).

In 1798 wordt Lambert Bitter benoemd tot schutter en dienaar der justitie van de gemeente Liempde. Van de gemeente krijgt hij een woning toegewezen waarvan de gemeente jaarlijks ƒ 10,00 huur betaald aan de armmeester. Toen in 1811 ons land bij Frankrijk werd ingelijfd werd het oude ambt van schutter gehandhaafd en kreeg Lambert de naam van ‘garde champȇtre’. Zijn gedrag was niet onberispelijk. Dit blijkt onder meer uit het feit dat op 15 februari 1818 zijn gedrag ter sprake komt in de gemeenteraad. De meeste raadsleden waren van oordeel dat burgemeester Jacobus van Eijndhoven hem moet ontslaan omdat hij te weinig vreemde bedelaars op zou sporen om ze te weren uit de gemeente. Hij en zijn vrouw zouden zelfs bedelaars opnemen in hun huis. Een van de raadsleden, Nicolaas van Haaren pleitte echter voor hem omdat hij anders in armoede zou vervallen en dit zou nog groter kwaad kunnen veroorzaken. Vervolgens werden de Veldwachter en zijn vrouw op het gemeentehuis ontboden. Daar werd hen de medegedeeld dat als zijn hun leven niet zouden beteren zij een proces-verbaal konden verwachten. Ondanks deze vermaningen is Lambert doorgegaan met het opnemen van bedelaars in zijn huis. De raad besloot hem hiervoor gedurende de tijd van zes weken te schorsen uit zijn ambt en van zijn traktement een voorlopige vervanger aan te stellen. Zou hij zich in tussentijd beteren dan kon hij aanblijven. Zijn tijdelijke vervanger was de Amsterdammer Hendrik Geijsen. Hij was 52 jaar en weduwnaar zonder kinderen.

Op de vergadering van 15 juli deelde de burgemeester de raad mede dat hij bericht gestuurd had aan de gouverneur van Noord-Brabant in verband met enige feitelijkheden vermoedelijk door de veldwachter en zijn zoon Willem gepleegd. Lambert en zoon Willem (Wilhelmus) werden vervolgens bij de rechtbank van Den Bosch aangeklaagd voor het omhakken en mutileren van bomen. Zij werden ervan verdacht in de nacht van 19 op 20 juni 3 bomen te hebben omgehakt en 3 bomen dusdanig beschadigd dat deze zullen sterven. De bomen waren eigendom van Jan Kemps en Willem van Eijk lid van het gemeentebestuur van Liempde. Lambert deed dit uit haat tegen deze bestuursleden. Zijn zoon Willem is niet ter rechtszitting verschenen. De wetsartikelen uit die tijd betreffende dit voorval luiden als volgt: ‘Al wie een of meer bomen van een ander dat hij weet toebehoren , geveld zal hebben zal gestraft worden met een gevangenisstraf die ten aanzien van iedere boom niet beneden de 6 dagen noch boven de 6 maanden zal mogen zijn zonder dat echter het geheel 5 jaren te boven zal gaan. De straffen zullen dezelfde zijn ten aanzien ieder boom die derwijze geknot, afgehakt of ontschorst is dat hij sterven moet. In gevallen van deze artikelen zal de schuldige bij aldien gepleegd is uit haat  tegen openbaar beambte gestraft worden met de hoogste van de straf die bij het artikel waartoe het geval behoord gesteld is. De medeplichtigen aan een misdrijf of wanbedrijf zullen met dezelfde straf gestraft worden als de hoofddaders zelve behouden. De gevallen waarin de wet anders bepaald. Wie des bewustzijnde den dader van het feit met der naam van wangedrag bestempeld zal gestraft worden. Wiedes bewustzijnde den dader van het feit in de bedrijven die het voltooide bijstaan of geholpen zal hebben. De rechtbank  veroordeeld beklaagden Lambert en Willem Bitter ter zake voorschreven ieder tot een gevangeniszetting van 48 maanden of 4 jaren, ieder een geldboete van ƒ 8,00 gldn en in de kosten van den processen ten behoeve van de staat geliquideerd ten somme van ƒ 9,81 bij wege van aantasting in persoon. Aldus gewezen en uitgesproken te ’s Bosch de 19de augustus 1818 bij de Heren Mr. Vogelvanger President De Wijs en Reigersman rechters.’
Lambertus Bitter is overleden in het tuchthuis op 10 januari 1819. Willem is eerder vrijgekomen want hij is op 17 februari 1822 te Oirschot gehuwd met Johanna Maria van der Bogaert.

Na de veroordeling van Lambert Bitter werd Hendrik Geijsen aangesteld als veldwachter en door de burgemeester bewapend met een buks en pistolen. Een Amsterdammer in een boerendorp is vragen om problemen en al spoedig regende het klachten en was het gemeentebestuur genoodzaakt hem te ontslaan. Als zijn opvolger werd de in Den Bosch wonende Gerrit van der Pot een oud-0sergeant van de artillerie benoemd. Ook dit duurde niet lang en in 1826 werd hij vervangen door Willem van Nus die de gemeente tot aan zijn dood in 1864 trouw heeft gediend.

 

Gasthuizen uit Boxtel, Sint-Oedenrode en 's-Hertogenbosch en Liempde

Door Ger van den Oetelaar

Zoals we al wel langer weten bezat het Mannengasthuis van Boxtel een bos in Liempde op Kasteren.  Hetzelfde geldt voor het Vrouwengasthuis van Boxtel. Het Gasthuis in Esch heeft wellicht het grootste eigendom, namelijk op de Velderseweg met de mooie Vlaamse schuur en is zelfs opgericht door Liempdenaren. Daarnaast hebben het Kuijsters Mannengasthuis van s-Hertogenbosch en het Sint-Paulus Gasthuis van Sint-Oedenrode ook nog eigendommen in Liempde. Dit Gasthuis werd rond 1434 door Jutte van Erp en haar man Jan die Swert gesticht en was bedoeld voor zeven arme vrouwen. De gasthuisjes bestaan nog steeds, zie afbeelding. Dit gasthuis had ook een boerderij in bezit, de zogenaamde Gasthuishoeve. De pachter was jaarlijks verplicht het volgende aan de zeven arme vrouwen te leveren: namelijk ieder vier gulden in geld, tien vaten rogge, vijf vaten boekweit, honderd agt en twintig mutsaarden en vijf karren drooge heijtorf, makende jaarlijks agt en twintig guldens in geld, seventig vaten rogge, vijf en dertig vaten boekwijt, negen honderd mutsaarden en vijf en dertig karren heijtorf.

De pachter van de Gasthuishoeve pachtte het Liempdse in bezit, perceel B867, in 1832 bijna 3 ha hakhout in De Scheeken. Hier zal de pachter waarschijnlijk de mutserds / mutsaarden gehakt hebben om te kunnen leveren aan de zeven arme vrouwen.

 

Slagte vruuger toos (thuis), deel 2

Door wijlen Frans van den Langenberg, oud-secretaris Stichting Kèk Liemt 2006

Dè vèreke ha daor un half jaor lekker rustig geleefd en nauw in eens dè geweld um zich hinne. Zun instinct zin tegen hum dè iets ging gebeure met um. Ut verken wier naor de slagtplaots gebrocht, ging ut niej goed schiks dan mer kwaot schiks. Daor aongekomme trok men ut verken tegen de grond en staak men mi un groot mes in de keel van het verken, in de slagader en het dier spartelde nog wel we tegen maor de dood trad snel in. Ut bloed werd op sommige plaotsen opgevangen en al ruurende met de blote haand in un kom mee naor binnen genommen vur het maken van bloedworst. Ut verken werd met kokend watter overgoten en mi speciale schrappers werd ut van zijn haor ondaon. Es dè allemaol gebeurd waar dan werd het verken op de leer gerold. Mi un pees uit zun achterpoten aon un klippeltje gehangen. Dè klippeltje wier men un touw goed vaast gebonden aon de leer.

Dan wier het verken mi leer en al tegen de muur gezet, dan wier ut open gesneejen en gekapt. De longen en de derm en ut overigen wort er utgehaold en in de scheibak of un grote kom opgevangen en ut werk is op un oor noi gevild. De derm worren zo gauw meugelijk skon gemakt ummer straks de worst en in te kunnen doen. Ut verken blèf ongeveer 1½ dag op de leer hangen, um dan kort gemakt te worren, afkappen noemde men dè. De Keurmister kwam wir veur rijen en keurde ut verken geslagt, dè kon hij mi zun blote oog zien of dèt-tur iets aon te zien waor dè nie deugde daor ha hij veur geleerd. De slagter ha ur wel zoveul ervaring det ie kon zeggen det ur iets aon mankeerde of niej. Ut kwam mer zelden veur det ur iets aon waar. Nao 1½ dag kwamen de slagters weer terug um ut verken af te kappen of kort maken wier ook wel eens gezeeid. Es ut verken waar kort gemakt en de zijen spek en de hammen in de pekel zaten, dè din den slagter ok, dan wier afgerekend mi unne borrel of koffie erbe. En dan begon het werk vur moeder de vrouw en hur hulp es ze die ha, mer alleen konde zoiets bekant niej. Daor moest zult gemakt worren, en worst en kooikes, en de ribben en weet ik al we meer moest er gemakt worren. Ut waar al mi al un groot werk dor waren ze van af ut moment van slagten tot det opgeruimd waar unne dag of driej me zoet. De worst kon meteen in de schouw um gerukt te worren mer ut spek en de hammen moesen un week of drie in de pekel blijven en dan konne ze ok de schouw in. Ut kan tegenworrige tet ok ni mer mi al die neej wetten van ut miljeu mer tog is ur wir un mooi traditie ut ons leven verdwenen. De slagters die ik gekend heb en bè ons geslagt hebben waren Jan en Frans van Haaren (vader en zoon) Janus de Beer en Kees en Noud van den Langenberg.

foto Beeldbank Liempde - locatie erf Barrierweg 4 thans bezoekerscentrum D'n Liempdsen Herd. 

 

 

Erfgoedvereniging Kèk Liemt


Keefheuvel 20, 5298 AK Liempde
E-mail: info@kekliemt.nl