Bekijk deze nieuwsbrief in de browser
 
logo

Kèk Efkes - jaargang 8 Nummer 56 - 15 januari 2026

Van de Voorzitter

Door Harrie Raaimakers

Nieuw jaar nieuwe kansen......

Op 17 december van het vorige jaar hebben Jeroen Berkhout namens SPPiLL en ondergetekende namens Kèk Liemt een goed gesprek gehad met Elisa van Opheusden van de afdeling Erfgoed van de gemeente. Ook wethouder Désiré van Laarhoven en de wijkmakelaar Helma Christ waren bij deze bijeenkomst aanwezig. In dit gesprek is besloten de onderlinge samenwerking tussen de drie partijen uit te breiden en te formaliseren. Met een eerder project, betreffende de cultuurhistorische route met infobordjes, is immers aangetoond dat, mits er goede afspraken onder liggen, dit voor alle partijen een win-win situatie op kan leveren. Voor we een definitief samenwerkingsverband aangaan starten we eerst nog een proefproject op. SPPiLL en Kèk Liemt krijgen hiervoor van de gemeente de opdracht onderhoud te plegen en herstelwerkzaamheden uit te voeren aan de toponiemenbankjes in het buitengebied. Na de evaluatie van deze werkzaamheden zal er een definitieve overeenkomst worden geformuleerd waarin o.a. de rolverdeling en vergoedingen nader worden vastgesteld. De volgende projecten die op de rol staan zijn de renovatie van de Dorpspomp aan de Keefheuvel en het voormalig kerkhof aan de Kerkakkers. SPPiLL is bij dit samenwerkingsverband betrokken voor de fysieke invulling. Deze organisatie beschikt immers over een bouwploeg met vakmensen. Bij deze vrijwilligers zit veel kennis en ervaring op het gebied van onderhoud en renovatie van cultuurhistorische elementen. Zij hebben al meerdere malen bewezen dat dit soort werkzaamheden bij hun in goede handen is. 

Behalve bovenstaande onderwerp staan er voor het komende jaar natuurlijk ook weer een aantal activiteiten op het programma voor onze leden waaronder een aantal interessante lezingen. Verderop in deze nieuwsbrief onder ‘actueel’ vind je de programmering hiervan. 

Tot slot
Bij het verschijnen van deze eerste nieuwsbrief van 2026 is het alweer meer dan twee weken geleden dat we het nieuwe jaar hebben ingeluid. Toch wil ik hier, mede namens het bestuu,r nog van de gelegenheid gebruik maken iedereen een welgemeend gezond, gelukkig en voorspoedig jaar toe te wensen.

 

Actueel

18 januari 2026 - ludieke rondwandeling door Ploegersland.

Onze voorzitter Harrie Raaimakers neemt u mee langs bijzondere plekken in Ploegersland aan de vooravond van Carnaval 2026. Dit jaar met een bijzonder dorpstintje dat binnenkort in heel Liempde te zien is. Tijdens de wandeling vertelt Harrie diverse anekdotes over dit leutfeest dat begin jaren 60 van de vorige eeuw in Liempde pas echt op de kaart werd gezet. Vertrekt om 10:00 uur bij bezoekerscentrum D'n Liempdsen Herd. Kosten € 5,00 per deelnemer met na afloop een kopje koffie of thee. 

26 januari 2026 lezing: 'Oirschot en Best: gescheiden en verenigd' door Anton Neggers.

Best bestaat ongeveer duizend jaar. Achthonderd jaar daarvan was Best onderdeel van Oirschot. In 2028 gaan beide gemeenten, na een scheiding van 200 jaar, weer samen onder de naam Best-Oirschot. Anton Neggers neemt ons mee in de boeiende geschiedenis van twee buurgemeenten. De lezing is in bezoekerscentrum D'n Liempdsen Herd. Inloop vanaf 19.00 uur. Aanvang lezing 19.30 uur. Toegang gratis. 

Overige lezingen in 2026 - noteer deze al vast in uw (digitale) agenda. 

23 februari 2026 - Historisch Landschap, het landschap van mensen en zijn rijke geschiedenis, door Jan Timmers

30 maart 2026 - Bidprentjes, door Wilbert Steenbakkers

28 september 2026 - (Voormalige) Winkels in Liempde en hun reclame, door Arnold van den Broek

26 oktober 2026 - De positie van de vrouw door de jaren heen, door Harrie Raaimakers

30 november 2026 - Kasteren, door Wilbert Steenbakkers

 

Contributie 2026

Nu we een nieuw jaar zijn begonnen komt ook meteen de volgende vraag. Graag wil ik jullie verzoeken om de contributie voor de Erfgoedvereniging over te maken op rekening                     NL 35 RABO 0128 70 7852 onder vermelding van je lidnummer. Voor één persoon is dit € 25,= en als jullie met 2 personen uit hetzelfde gezin lid zijn dan is het totaal € 37,50.

Alvast hartelijk dank.

Wilbert Steenbakkers, penningmeester

 

Kunstpad Liempde op zoek naar... haar oorsprong

door Arnold van den Broek - foto idem gemaakt tijdens de lezingenavond op 20 oktober 2024

Al sinds jaar en dag wordt er in Liempde een zogeheten Kunstroute door ons dorp georganiseerd. Vele kunstzinnige dorpelingen nemen daar aan deel en geven in een weekend een inkijkje in hun werk, maar vaak ook atelier. Ook dit jaar staat die Kunstroute weer op de kalender. Vermoedelijk in het weekend van 30 en 31 mei a.s. Het thema dit jaar is 'leem'. Het Brabants Centrum lichtte al een tipje van de sluier op medio december 2025 toen het kopte: 'Met leem leggen kunstenaars link met oorsprong van Liempde'.

Liempde. In het toponiemenboek met als titel: 'Liempdse contreien in naam door de eeuwen heen' -april 2002- dat Frits Beelen op verzoek van Stichting Kèk Liemt schreef, na 12 jaar lang veldnamenonderzoek met de toponiemengroep, komt de schrijfwijze van Liempde op verschillende manieren voor. Een kleine greep daaruit: 1570 - Linden, 1591 Lijmde, 1644 Lijemde, 1708 Liemdt en 1768 Liempde.

Als verklaring van de naam 'Liempde' wijst Beelen op het Germaanse woord Lim=Leem/kalk, maar ook geeft hij aan dat het Germaanse woord Lima - boomtak, bebladerde tak en plaats waar men voederloof sneed. Kortom twee verklaringen voor de naamgeving Liempde waarbij hij verder gaat en aangeeft 'Het voorkomen van veel leembanken in de bodem opteert voor de eerste verklaring. Leem werd afgezet tijdens de ijstijd in het gebied tussen de Dommel en de Aa en werd later bedekt met dekzand.'

Om de ontstaansbetekenis van Liempde, genoemd naar leemachtige bodem, meer kracht bij te zetten verwijs ik naar de het boek: 'De ondergrond van Nederland' waar gesproken wordt over de 'laagpakket van Liempde.' Het laagpakket van Liempde, soms ook aangeduid met de afzettingen van Liempde of Brabantse leemafzettingen, is een afzetting uit de Formatie van Boxtel in de Boven-Noordzeegroep. In zijn lezing 'Hoe het Dommeldal veranderde' voor onze vereniging op 20 oktober 2024, noemde Mark Scheepens uit Olland  -werkzaam als adviseur watersysteem bij Waterschap De Dommel- zelfs het begrip 'Formatie van Liempde.' -zie foto- Kortom: we staan op de kaart.

Dat leem door onze Liempdse kunstenaars ontdekt is, is daarom niet zo vreemd. De bewerking ervan vroeg en vraagt wel de nodige inspanning en vaardigheden. Het is immers geen klei. Dit najaar volgden diverse Liempdse kunstenaars een cursus in bezoekerscentrum D'n Liempdsen Herd om de vaardigheden van het werken met leem onder de knie te krijgen. Tijdens de knusse Kerstmarkt van 13 december 2025 bemanden zij op het erf van D'n Liempdsen Herd een kraam om het publiek warm te krijgen om ook met (Liempds) leem aan de slag te gaan. 

In maart is het dan zover en worden belangstellenden uitgenodigd om deel te nemen aan een leemworkshop. Wil je ook de ondergrong van Liemt ervaren meld je dan aan voor de workshop via jeannevandenoever@gmail.com 

Deze workshop is mogelijk gemaakt door een Europese subsidie rond landschap, historie en cultuur die door SPPiLL is opgepakt. Het mooie van de workshop is ook dat de kunstwerken die tijdens deze inspirerende workshop worden gemaakt in mei een plekje krijgen tijdens de nieuwse editie van de atelierroute 'Liempds' Kunstpad'. Daar wil je toch bij zijn!

 

 

Wie kent ze Berbel van Lympde geheeten van Wemelt?

Door Ger van den Oetelaar

Leenregisters zijn vaak oude en belangrijke bronnen. Ook voor het Rooise boerderijenboek dat in 2026 uitkomt worden deze leenregisters veelvuldig gebruikt. Zo beschrijven de leenregisters de opvolging van de verschillende leenmannen. Liempde kent weinig leengoederen, Sint-Oedenrode des te meer. In 1530 verhief Jouffrouwe Berbel van Lympde geheeten van Wemelt (zie illustratie) het leengoed Ter Loo in (het oosten van) Sint-Oedenrode. Verheffen was het formele moment waarop een leenman (in dit geval een vrouw) zijn leengoed in ontvangst nam (bijvoorbeeld bij het aangaan van een nieuw leen, na overlijden, of na overdracht).

De leengoederen werden verheven, dat wil zeggen teruggegeven aan de leenheer en vervolgens overgedragen aan de volgende leenman. Dit gebeurde bij de leenheer, die het goed formeel uitreikte in ruil voor trouw en plichten. Het was een belangrijk ritueel dat de feodale band tussen leenheer en leenman bevestigde. Jouffrouwe Berbel van Lympde geheeten van Wemelt zal deze handeling uitgevoerd hebben bij de leenheer, de hertog van Brabant in Brussen. In 1530 was Karel II, hertog van Brabant. Berbel was getrouwd met Claes van Nyspen, zij verhief het leengoed na de dood van haar man. Later kwam het leengoed bij haar zoon, Cornel van Nyspen, die in het beroemde klooster Groenendaal (in het Zoniënwoud bij Brussel) intrad. Dit Rooise leengoed Ter Loo werd in 1386 als Brabants leen uitgegeven door hertogin Johanna van Brabant. Het bestond uit  een hofstede met boerderij, een aparte pachthoeve (winhof), diverse akkers, weilanden en hooivelden.  De locatie met boerderij bestaat nog steeds. De relatie met Liempde is niet duidelijk, wellicht kan toekomstig onderzoek dit duidelijk maken.

 

Alweer meer elite op Kasteren

door Ger van den Oetelaar

In het op 8 november 2025 verschenen Kasterenboek gaat het hoofdstuk van Désiré van Laarhoven–Van Abeelen onder andere over elitevorming op Kasteren.  Mede-auteur van het Kasterenboek Martien van Asseldonk attendeerde me al eerder op een aanvulling die in deze nieuwsbrief gepubliceerd is. Henricus van Casteren heeft  68 bunder met toestemming van de hertog van Brabant verkocht aan de inwoners van Liempde. In 1314 werd 45 bunder broekland uitgegeven aan Johannes van Beek. Dat is destijds zeker niet onbelangrijk geweest. Het broekland ligt ten oosten van de 68 bunder. Het ligt een beetje voor de hand en dan is Kasteren afgedekt. Op het kaartje is de Kasterense locatie van de 45 bunder weergegeven.

 

Slagte vruuger toos (thuis), deel 1

Door wijlen Frans van den Langenberg, oud-secretaris Stichting Kèk Liemt 2006

Vruuger slagte bekant iedereen een vèrken, zowel de boere es de werkmiense, de echte burgers in turp die dinne dè niej. Dè vèrken ston bè veul miense ergens aachter in un hukske, ongeveer un half jaor, ut werd gevoeierd mi dun afval van de taofel en roggemeel en de vèrkenskittel wier gestokt en daor zaat van alles in. Erpel ut dun hof wè bieten en ons moeder din zelfs brandnittels snijen en die gingen allemaol het fornuis in. Es dè allemaol gekokt waar ging ut dur de vèrkensmeulen en dè gerei vraat dè vèrken op.

Es ur november – december durfde te worren, dan ging men uns nao denken um onderhand uns te gaon slagte. Ut waar ok allemaol wir op van de veurige slagt. Dè slagte dè waar un hil werk dur moes veul geregeld worren. Dun werkmiens moet ur zelfs unne vrije dag vur op offeren, die misscien in dieje tet niej uitbetaolt wier. De boeren waren toch toos en in dieje tèt van ut jaor waar ut toch niej druk buiten. Est zo wijt waar dan makte men urst un afspraak met de slagter, die bepaolde wanneer hij kon komme slagte. Hij din dan gewigtug en keek in zun buukske en zin bevoorbild volgende week dun woensdug um 9 uure ’s mergens want veul eer konnen ’s mergens niej beginnen want ut waar laot licht in dieje tèt van ut jaor en de miste miense han buiten geen lamp gelék nou.

Es dè waar afgepraot dan gong men naar ut Raodhoos um aon te vraogen um te slagte dè zal wel iets gekost hebben, want op ut Raodhoos doen ze niks vur niks en ze doen al niej veul daor. In de loop van un por daag kwam de keurmister langs um ut verken levend te keuren. Dieje miens kwam in de regel aachter um, hij was op de fiets en sommige han un bromfiets bè, de miste han unne lange leren jan aon want ut waar over het algemeen kouw weer. En gu waart nogal we es gu keurmister waard (mende zu). De keurmister viet unne hamer ut zun tas, dè waar unne vierkantige blok mi allemaol scherpe punten er in gemakt daor sloeg hij het verken nogal hard mi op zun schoft, zo dè gu es ut verken geslagt waar op zun schoft kont zien det ie un klap mi dieje hamer ha gu hat, daor zaten dan un tiental of meer kleine wondjes in zun vel. Est dan dieje bewuste woensdag mergen waar aangebroken dan stond men vruug op, want daor moest un fornuis kokend watter klaor staon um de haor van ut verken er af te scrabben. Um klokslag 9 ure waar ur de slagter in de regel mi tweeen. Ze gingen ut verken uit de kooi haolen, ze dinne ut touw aon één van zen achterpoten. Dé dier waar erg onrustig want dè merkte wel det ur iets aon de haand waar dè niej alledaags waar.

Wordt vervolgd.

 

Warmen aan de vuurput

Bron: Dagblad de Tijd 28-7-1970 (Delpher)

IN LIEMPDE is een vuurput in gebruik genomen. De Europese gemeente tussen Den Bosch en Eindhoven heeft deze attractie gekregen om te kunnen concurreren met het naburige en in dezelfde gemeente gelegen Esch, dat over een bierpomp beschikt.
Het idee is van burgemeester Smits, die zich als eerste burger van het al even landelijke  Esch al onsterfelijk heeft gemaakt door het oprichten van een bierpomp, die ongeveer dezelfde functie heeft: bij officieel raadsbesluit is vastgelegd, dat elk jaar als de belendende kastanjes bloeien, van gemeentewege een vat bier in de pomp wordt geplaatst, waarmee een vloeibare, maar stevige basis wordt gelegd voor een verbroedering tussen autochtonen en allochtonen.
Voor Liempde had burgemeester Smits eerst een ander idee. namelijk een vrijerspoortje dat een plaats zou moeten krijgen onder het geboomte waar nu een nooit gebruikte kiosk staat. Maar in de gemeente rees verzet, niet omdat men tegen vrijen is. Maar dat gaat er al eeuwen ook zonder poortje en verder wilde men de kiosk en de bomen niet kwijt. 'De kiosk is eens een schenking geweest. Daar mag je niet aankomen', vonden de tegenstanders. 'Van een aantasting van de 3 bomen was geen sprake, maar het is helemaal verkeerd overgekomen. Ik heb het idee toen maar gauw in de ijskast gezet, maar ik hoop het er nog ooit eens uit te halen', zegt burgemeester Smits. Hij denkt aan een poortje met spreuken en liefdessymbolen, waar paren aller streken zich komen laten fotograferen. Alles in het nette, maar voorlopig blijft het bij de vuurpot, een oude put met rooster, waar behalve gewarmd ook ge-barbequed kan worden.

Het zat de Liempdse gemeenschap vrijdagavond bij de opening niet mee, want de regen viel in stromen neer, zodat de middenstand die zich op passende wijze zou presenteren, nog bijna met de drie voor roostering beschikbaar gestelde rollades bleef zitten. 'Wij vertrouwen dat u aan onze uitnodiging gevolg zult kunnen geven, en dat de weersomstandigheden gunstig zullen zijn', schreven B. en W. in hun uitnodiging: een vermetel vertrouwen dat blijkbaar alleen gedeeld werd door de nieuw in Liempde gevestigde eerwaarde zusters, want die gingen uiteindelijk met de kanariepiet naar huis die als hoofdprijs beschikbaar was in wat een loterij voor thuisblijvers bleek te zijn.
Burgemeester Smits bleef de elementen verzoeken: 'Ik zou ook nog iets met water willen doen: water en vuur, de twee klassieke elementen waarmee de mensheid altijd heeft gespeeld.' Tegen zoveel argeloosheid gaf de regen het tenslotte maar op en zo trokken de standvastigen tenslotte toch nog aan het langste eind. 

 

Chrisje van Lieshout, deel 1

Door Jasper Mikkers

Door de zon smolt de sneeuw op het strooien dak van de varkensstal van boer Van Abeelen. Met hun lichaamswarmte en adem droegen de varkens aan het smelten bij. Het water sijpelde naar beneden en bevroor op het moment dat het van het dak dreigde te druppen. Er ontstond een ijspin. Het smeltwater dat langs de ijspin naar beneden gleed, bevroor ook. Er waren winters dat er ’s ochtends ijspegels van een halve meter aan het dak hingen.

Voorbij het varkenskot liep een sloot, haaks op een beukenhaag met zilverig glanzende stammen. Verdorde grashalmen vielen over de slootranden en onttrokken blauwgrijs rioolwater aan het zicht.

Voorbij varkenskot en sloot stond een boerderij. Daar woonde Chrisje van Lieshout. Een pad leidde langs de sloot naar het achtererf. En daar was de deur naar de keuken.

Ook in de boerderij van Chrisje speelde het leven zich in de keuken af.  Er stond een tafel met stoelen, kachel waarop gekookt werd, er was een gootsteen met kastjes, een schouw met porseleinen potten en borden, een kruidenrek. Aan de muren hingen afbeeldingen van heiligen, tussen een Christusbeeld met devotielamp, koffiemolen en handdoekrek.   

Bij Chris hingen weinig diploma’s aan de muur. Om precies te zijn: geen. Dat was de grote tragedie van zijn leven.

Hij had er wel over nagedacht zijn jachtakte in te lijsten en naast het Christusbeeld te hangen.

Chrisje redde zich zonder diploma. Hij was veehandelaar, had een vrouw met een bleek gezicht vol grove sproeten en rood, opgebonden haar, een stiefdochter en zoon. Altijd droeg hij een blauwe werkbroek die werd opgehouden door gestreepte bretels, een geruit hemd en klompen, beschilderd met rode en gele figuren. Hij was een gevreesde rivaal onder paardenmannen. Een gehaaide bliksem. Een naderende koop spoelde het laagje onverschilligheid waarmee hij ogenschijnlijk door het leven ging, ogenblikkelijk weg. Een onverwoestbaar zelfvertrouwen kwam eronder te voorschijn. Als hij sprak, wipte de eeuwige peuk bedrijvig op en neer en strooide as rond. Soms verplaatste hij zijn sjekkie van links naar rechts met zijn weelderige lippen en tong. Wanneer iemand het waagde met hem in onderhandeling te gaan en ze elkaar om de beurt een klap op de hand gaven en ongemerkt in een roes geraakten en elkaar kort afgebeten bedragen toesnauwden, stond de ander opeens met een touw in zijn handen zonder te beseffen dat hij bezitter van een koe was geworden.

Chris was ‘niet verder te vertrouwen dan dat je hem kon zien’.  

Hij begon met een bescheiden stap bij het behalen van zijn rijbewijs, zijn eerste diploma zogezegd. Met een brommer. Dat gaf weinig aanzien. Zeker toen bekend werd dat hij met zijn vrouw een rit naar Boxtel had willen maken, maar dat hij moest vaststellen bij zijn aankomst bij de Petrus Basiliek dat hij alleen was. Hij had zijn vrouw te weinig tijd gegeven achterop te klimmen.

Hij schafte een motor aan, een Jawa, en kreeg een proefbewijs. Als oefening legde hij elke dag enkele keren een voorgeschreven route af. Hij vergat soms zijn klompen te verwisselen voor schoenen. Toen hij op een avond van de toegestane route afweek en het einde van de Parkstraat bereikte, verloor hij bij het afslaan de macht over het stuur en reed rechtdoor, de treden van de muziekkiosk op die midden in het Concordiapark stond.

Chris zakte steeds opnieuw voor zijn rij-examen.

In de keuken van zijn boerderij bevond zich iets dat niemand anders had. Een tv. En daar keek ik voor de eerste keer in mijn leven naar een televisie-uitzending. Het was 1958. Paus Pius XII werd begraven.

De kardinalen kwamen in conclaaf bijeen en toen op een dag het gerucht rondzong dat één van hen tot de nieuwe paus was gekozen, mocht ik opnieuw tv kijken. Zoon Wimke nam me mee de keuken binnen. Mijn blik zwierf via de camera over de daken van Rome, de Tiber, hing stil boven de tuin met zwembad van een Romeinse villa, keerde terug naar het Vaticaan. Ik kon voor de eerste keer met de blik van een vogel boven een stad zweven en met mijn scherpe ogen alles wat bijzonder was naar me toe halen. De vrouw van Chrisje deelde appelschijven uit die het jaar daarvoor waren gedroogd in de oven in de schuur achter de boerderij.

Er steeg zwarte rook uit de schoorsteen op, geen witte.

Wimkes moeder kwam met een schaaltje paardenmelk de keuken binnen. Daar wreef ze het gezicht en de armen van Wimke en zijn halfzus mee in. Die hadden allebei rood haar en een bleke huid. Het was voorjaar, de zon klom hoger en scheen langer. Van overal sprongen grote sproeten op Wimkes vel te voorschijn. Met paardenmelk konden ze verdreven worden.

Toen ik thuis mijn moeder over de paardenmelk vertelde, stuurde ze me met een kannetje naar Wimkes moeder. Ook ik en mijn zussen werden met paardenmelk ingewreven.

Wimke en zijn zus dronken de melk ook, opgewarmd in een pannetje op het kachelvuur. Omdat de melk zo vet, stevig en gezond was. Puur krachtvoer. Je kon daarna eigenlijk niet meer ziek worden.

Wordt vervolgd 

 

Archeokout 52

Door Jaap van der Woude

Aan het eind van het vorige jaar, ruim twee weken voor de plotselinge oudjaar-oorlog, zagen we hoe kerk en staat in innige samenwerking het frankische rijk uitbouwden in noordelijke richting. Zo van: als jij ze wat op de mouw speldt dan komt de aap eruit en die nemen we dan te grazen. De aap was hier Radbod koning der Friezen, onze buren over de rivieren. Misschien komt het wel door het weer van de laatste tijd, maar het leek me een goed idee even over de grens te kijken naar die noorderlingen en hun doopceel te lichten.

In de ijzertijd vestigden de Frisii zich aan de kust ten noorden van de grote rivieren. Uit aardewerk vergelijking zou blijken dat ze mogelijk een expansie van de Chauken waren. Ze leefden in een bijzonder gebied met veel water en invloed van getijden. Hun huizen bouwden op heuvels (terpen of wierden) en ze leefden vooral van veeteelt, omdat het land weinig geschikt was voor graan. Dat was een groot voordeel op het landbouwende zuiden, want veeteelt is minder werk-intensief en qua opbrengst zekerder. Een ander voordeel was dat ze zeer bedreven waren in het vervoer over water. Ieder huis moest een bootje hebben voor als het water omhoog kwam en met die bootjes over water reizen was veel sneller dan het geploeter over land.

Vermoedelijk spraken ze een keltische taal ook al noemden de Romeinen ze Germanen.  Ze bleven min of meer onafhankelijk al moesten ze wel manschappen aan de Romeinen leveren en hielden die rare jongens af en toe es een veldtocht om de verhoudingen duidelijk te maken. Wellicht hadden de Romeinen wat buitenposten in het Friese gebied (al bestond het plaatsje Buitenpost in Achtkarspelen nog niet). De Friezen waren door hun manier van leven en hun waterbeheersing vooral ook handelaren die zich over grote afstanden lieten gelden in Engeland en Scandinavië, als zodanig waren ze zeer interessant voor de Romeinse behoefte aan exotica.

Aan het einde van de Romeinse periode, zo rond 300 nbj, werden ze door de Romeinen geherhuisvest als laeti (toegelaten barbaren) in Vlaanderen en Kent. Wellicht speelde in de verhuizing ook verslechterende klimatologische en/of gezondheids condities (epidemieën) mee. De bevolking bleef geminimaliseerd gedurende ruim twee eeuwen. Wie er terugkwamen in de zesde eeuw is niet helemaal duidelijk, dat kunnen terugkerende Frisii zijn geweest uit het westen, maar waarschijnlijker is het dat de Juten, Angelen en Saxen door het gebied trokken en dat sommigen bleven hangen. De archeologische vondsten wijzen op Deense en Duitse herkomst. De taal was Germaans en gerelateerd aan het oud-Engels. Vermoedelijk namen zij de naam Friezen aan omdat ze door de toen heersende Franken zo werden genoemd.  Hun woongebied was de kust die zich uitstrekte van Groningen tot Domburg, met het vele water, de getijden en de voordelen van veeteelt, zeevaart en handel van dien.

Sterker nog, in die tijd werden de termen Fries en handelaar synoniem. De Friezen waren de heersers op de Noordzee en ze bleven dat tot de vikingen die rol overnamen. Hun platbodem-vaartuigen konden overal aan land komen, ze hadden geen diepgegraven havens nodig, maar trokken de boten gewoon het land op. De belangrijkste handelsstad was Dorestad, een plaatsnaam van Keltische oorsprong. Dat dat een eind stroomopwaarts ligt en niet direct aan zee was vooral nuttig om met anderen te handelen. Dorestad was een soort omslaghaven, met veel nijverheid in het achterland en pakhuizen met goederen, en goed benaderbaar door niet zeevarenden.

Een  truc die de Friezen als handelaars ontwikkelden was geld als abstract betalingsmiddel. Natuurlijk hadden de Romeinen dat ook wel, maar de handel was toen toch meer ruilen en geld werd daarbij minder gebruikt. Goud was eigenlijk ongeschikt en niet flexibel genoeg.  De Friezen gebruikten zilver in staafjes, brokken en als munten, kleine coupures die gretig aftrek vonden langs de Rijn, in Engeland en in het Middellandse Zeegebied. Ze kochten en verkochten daarmee alles van Stavanger tot Schotland, van Domburg tot Doornik en van het Kattegat tot Keulen. Hun rijkdom nam gestaag toe. Ze verhandelden kleurige stoffen, bont, vis en slaven aan de Franken, bij wie ze dan weer wijn, graan, metaal en glas betrokken. Handelaren werden een beroepsgroep en geld werd een verdienste op zich, het wilde geen voer, je hoefde er niet voor op het land te werken, geen silo's te bouwen, je hoefde alleen maar goed in te spelen op de behoefte van de klant.

Een en ander vereiste wel organisatie, zoals het regelen van konvooien om piraterij te ontmoedigen, het oprichten van gilden en het stationeren van vertegenwoordigers in allerlei handelsplaatsen. Zo woonden ze overal waar gehandeld werd en betrokken ze de beste woningen en wijken. Hun rijkdom zette natuurlijk kwaad bloed, vooral bij de Franken die op hun geld en hun territorium aasden. Dus veroverde hofmeier Pepijn van Herstal  Dorestad in 690 nbj. Maar de Friese koning Radbod wist zich er toch weer te vestigen, tot hofmeier Karel Martel (de grootvader van Karel de Grote) de stad en de omgeving in 719 nbj definitief in Frankisch bezit bracht. Heel het Friese gebied kwam uiteindelijk onder heerschappij van de Karolingen. Voor Dorestad was de ellende nog niet over, want de Karolingen vochten hun onderlinge ruzie uit over de rug van Dorestad. En dan waren er ook nog de vikingen die naar zeggen meer dan vijftig kerken in Dorestad in de hens joegen. Eind negende eeuw was het over en uit met Dorestad, door verzanding, of door plundering, of door karolingisch en kerkelijk verval, of een combinatie daarvan. Het was afgelopen, uit, het was voorbij.

Ach en zo zijn we weer terug bij de realiteit van alle dag: geweld, machtsmisbruik en verovering van de kandeleer om wille van de smeer. Of het nu Romeinen, Franken of Amerikanen zijn, voor onze Kleine-Johannes-ogen voeren de vredemieren immer oorlog tegen de strijdmieren.  

 

Uit het leven....

Beeldbank Kèk Liemt: vanaf de Roderweg zicht op de Barrierweg met rechts de praktijkwoning van de dorpsdokter na de verbouwing in 1956, links ervan café van der Velden 

Door Jan van de Sande 

Zomaar een verhaal uit mijn leven…………… 

In 1951 krijgt Liempde voor het eerst een eigen huisarts, Dr. Batenburg. Hij gaat met zijn gezin wonen aan de Kapelstraat 9, het woonhuis waar nu de familie Traa woont. Hier is dan ook zijn praktijk gevestigd. Na enige jaren verhuist hij met zijn gezin en praktijk naar de Barrierweg 16, de boerderij waar later zijn opvolger Dr. Van Laere zijn intrek zal nemen.

Ik heb in mijn jonge jaren veel last van tandpijn gehad. In die tijd was er nog geen tandarts in Liempde. Ik kom uit een groot gezin en wij waren hier niet voor verzekerd. Tandpijn betekende voor mij pijn lijden tot die vanzelf weer overging. In de periode dat ik in de tweede klas van de lagere school zat had ik op een gegeven moment weer veel last van tandpijn. Maar deze keer wilde het maar niet overgaan. De pijn werd steeds erger, zo erg dat ik op zondag zelfs niet naar de kerk hoefde en dat wilde wat zeggen in die tijd! Maandagavond was het zo erg dat ik niet meer ophield met huilen.  Ten einde raad is mijn vader toen naar Sien Peijn (Het Groene Woud) gefietst om de dokter te bellen. Het gevolg was dat ik om 23.30 uur achter bij vader op de fiets stapte om naar de dokter te gaan. Dr. Batenburg heeft toen mijn kies getrokken en ik was van de pijn verlost.

Op 10 april 1954 wordt bij ons een tweeling geboren. Het tiende en elfde kind, het waren twee jongens. Bij de geboorte zijn Dr. Batenburg en vroedvrouw Jaan van de Wiel aanwezig. De bevalling verliep voorspoedig. Na het kraambed gaat mijn moeder voor de eerste keer weer naar de kerk (de kerkgang was inmiddels afgeschaft). Ze ging op de fiets. Haar zus tante Bertha (van de Meijden) ging altijd naar de vroegmis, mijn  moeder naar de tweede mis. Beiden stallen hun fiets altijd gewoontegetrouw bij kruidenier Jan Putmans in de Kapelstraat. Als tante Bertha bij Putmans wegfietst komt ze op de inrit mijn moeder tegen. Ze raken elkaar met het voorwiel en moeder komt lelijk ten val. Zij wordt naar het Carolusziekenhuis in Den Bosch gebracht. In het ziekenhuis blijkt dat moeder haar onderbeen op vijf plaatsen heeft gebroken. Zij wordt geopereerd en moet maar liefst zes weken blijven. Thuis echter ligt een tweeling die gewend is borstvoeding te krijgen en weigert van de fles te drinken. Men weet zich geen raad want zelfs de vroedvrouw die er de gehele dag mee bezig was lukte het niet de tweeling met de fles te voeden. Ten einde raad wordt Dr. Batenburg op zondag ingeschakeld. Gezien de ernst van de situatie is hij dezelfde dag nog een paar maal op zijn motorfiets op en neer naar Den Bosch gereden voor overleg. Eerst mochten de baby’s niet komen want die waren immers niet ziek, maar s’avonds kreeg hij het ziekenhuis eindelijk zover dat we toestemming kregen de baby’s te brengen. Zij zijn toen met de taxi van Piet van Ruremonde naar ons moeder in het ziekenhuis gebracht en zijn daar al die zes weken gebleven. In die tijd had bijna niemand een auto, ook wij niet. Als wij bij moeder op visite gingen fietsten we naar het station in Boxtel om daar op de trein te stappen naar Den Bosch. Na drie weken was ik aan de beurt om op visite te gaan. Ik zat toen in de derde klas bij meester Toon van Aarle en kreeg s’middags vrij om moeder in het ziekenhuis te bezoeken. Met mijn oudste zus en buurvrouw Bertha van de Meerendonk fietsten we naar het station en namen de trein naar Den Bosch. Het was de reis van mijn leven! Ik was nog nooit verder dan schoenwinkel Bovendeert en de Petruskerk in Boxtel geweest laat staan dat ik ooit in een trein had gezeten. Ook het centrum van Den Bosch was voor mij overweldigend en wat een groot ziekenhuis. Het weerzien met mijn moeder en de tweeling was een openbaring. De tweeling was flink gegroeid in de afgelopen drie weken. Als moeder na zes weken weer thuis komt moet zij weer leren lopen, eerst met een driepoot.

In deze periode, tijdens het herstel van moeder, kwam Dr. Batenburg regelmatig bij ons over de vloer. Er werd dan ook vaak over het wel en wee op de boerderij gesproken. Zo kwam ter sprake dat een zeug jonge biggen heeft die niet goed willen drinken. De dokter vroeg of hij ze mocht zien. Nadat hij ze gezien had hoorde ik hem tegen  vader zeggen: 'Kom straks mèr unne buil poejer haole, dè gifde ze dan en dan zulle ze wel aon ’t drinke gaon'. Mijn vader heeft die raad toen opgevolgd en het hielp, met de biggen is het goed gekomen.

Waar is de tijd gebleven dat dit nog kon gebeuren……

 

Erfgoedvereniging Kèk Liemt


Keefheuvel 20, 5298 AK Liempde
E-mail: info@kekliemt.nl