Bekijk deze nieuwsbrief in de browser
 
logo

Kèk Efkes - jaargang 7 Nummer 55 - 15 december 2025

Inhoud

 

Van de Voorzitter

Door Harrie Raaimakers 

Renovatie boerderij van de kinderen van ‘de Withaor,’

Op 24 november hebben Jan Frans en Inge de Groot, de huidige bewoners van de boerderij op Eikendaal 6, een lezing verzorgd over de restauratie van hun authentieke Brabantse langgevelboerderij. Deze boerderij is in Liempde beter bekend als de boerderij van 'de Withaor.’ De lezing trok maar liefst ruim negentig bezoekers naar D’n Liempdsen Herd. Iedereen uit de buurt maar ook van daarbuiten wilde immers weten wat er zich gedurende de bouwperiode onder die grote tent op Eikendaal had afgespeeld. 
En het resultaat mag er zijn. Het is een woonboerderij geworden die helemaal past in deze tijd zonder dat er afbreuk is gedaan aan de authenticiteit. Dit was ook de opzet. Voor de transformatie van deze bouwval naar een confortabele woonboerderij is architect Sibo de Man in de arm genomen. Hij heeft de nodige ervaring met de restauratie van dit soort panden. Aannemer Joris van de Zanden was belast met de bouw en Gert-Jan van den Langenberg met het installatiewerk. Freek van der Honing was betrokken als lid van de monumentencommissie Boxtel. Wat de presentatie extra interessant maakte was dat Jan Frans en Inge bovenstaande mensen hadden uitgenodigd om ze in de gelegenheid te stellen de uitdagingen en beslissingen in de ontwerp- en bouwfase uitgebreid te motiveren en toe te lichten. En, ook belangrijk, er bleef niet een vraag uit het publiek onbeantwoord.
Kèk Liemt kijkt terug op een geslaagde avond. Met dank aan onze leden Jan Frans en Inge. 

Crowdfunding het Wolfsbit is geslaagd. 

De crowdfunding die Jasper Mikkers heeft opgestart om de laatste 4 delen van zijn romancyclus 'Het Wolfsbit' mogelijk te maken is gelukt. Het streefbedrag was € 11.500. Maar liefst 105 donateurs hebben hem gesteund. Deze hebben samen voor een eindbedrag van € 12.050 gezorgd. Chapeau. 
De volgende uitgave, deel 5, is getiteld De Klimmer. De uitgifte hiervan wordt in het voorjaar van 2026 verwacht.
Wie meer wil weten over zijn romancyclus verwijst Jasper naar het introductieboekje HET WOLFSBIT, te koop in de boekhandel maar ook gratis te lezen op zijn website onder Het Wolfsbit - zie www.jaspermikkers.nl Veel succes met het schrijven Jasper. Wij zijn benieuwd naar het vervolg! 

En weer is er een jaar voorbijgevlogen.

Dit is alweer de laatste Nieuwsbrief Kèk Efkes van 2025. Ook dit jaar is hij weer elf maal verschenen. Zonder uitzondering allemaal edities gevuld met een verscheidenheid aan interessante en onderhoudende artikelen.  Dit lukt alleen dankzij de inzet van een aantal van onze leden die elke maand weer in de pen klimmen om de lezer te verrassen met een cultuurhistorisch item of een goed verhaal. Beste schrijvers en redactie hartelijk dank voor jullie bijdrage. Ga zo door want we zien uit naar jullie verhalen in het nieuwe jaar.  
En wat te denken van de leden die elke week, op de woensdagmiddag, de erfgoedkamer bezetten en degenen die zich bezig houden met de Beeldbank Liempde, de bidprentjescollectie en archivering van stukken. En weer een andere ploeg die onze tentoonstellingsruimte herinricht, bezig is met archeologie, Leader of het een of ander cultuurhistorisch project van de gemeente. Al deze mensen maken dat de vereniging er toe doet en een belangrijke taak vervuld binnen onze gemeenschap. Dank daarvoor!
En met de opsomming van al deze mogelijkheden die wij onze leden bieden kan ik niet nalaten een oproep te plaatsen aan jullie om ook te participeren in een van onze werkgroepen. De werkzaamheden zijn heel divers en vinden plaats in een gezellige sfeer. Laat weten waar je intresses liggen en wij laten je kennismaken met de betreffende werkgroep.

Tot slot rest mij nog om namens het bestuur van Kèk Liemt iedereen gezellige feestdagen en een gelukkig, voortvarend maar vooral gezond 2026 toe te wensen. 

 

Actueel

Activiteitenprogramma 2026.

Begin deze maand hebben we samen met SPPiLL, Natuurwerkgroep Liempde en Brabants Landschap de activiteitenkalender 2026 weer op elkaar afgestemd. Wat onze Erfgoedvereniging betreft hebben we geprobeerd opnieuw een zo aantrekkelijk mogelijk programma op te zetten. Hoewel nog niet alle lezingen zijn ingevuld hierbij een eerste kennismaking. Noteer de data van januari a.s. alvast in je agenda.

zaterdag 10 januari 13:00 - 16:00 uur openstelling expositieruimte De Kleuskes. Overigens elke tweede zaterdag van de maand. 

zondag 18 januari 10:00 - 12:00 uur 'Carnavalswandeling' door onze voorzitter Harrie Raaimakers. Vertrek vanaf bezoekerscentrum D'n Liempdsen Herd. 

maandag 26 januari 19:30 - 22:00 uur. Lezing door Antoon Neggers, voorzitter van Heemkundekring De Heerlijkheid Oirschot over de historie tussen Oirschot en Best en de huidige beoogde fusie van beide gemeenten tot de nieuwe gemeente Best-Oirschot per 1 januari 2028. De geschiedenis herhaalt, want tot 1819 behoorde Best tot de toenmalige gemeente Oirschot. 

Cursus 'Liempdse gehuchten' gestart.

Inmiddels hebben 25 cursisten, waaronder leden van onze verenigingen en nieuwbakken leden van onze vereniging twee cursusavonden en één excursie er op zitten. De startavond werd verzorgd door Peter Bressers en Johan Verspay en handelde over het gehucht Hezelaar. Avond twee stond in het teken van het gehucht Den Berg waarin Kees Quinten en Harrie Raaimakers fijntjes uit de doeken deden hoe groot het buurtschap eigen was. Dat werd afgelopen zaterdag 13 december j.l. nog eens duidelijk toen de cursisten, aan de hand van Kees en Harrie, halt hielden bij het tweede schooltje van Liemt (zie foto.) Een van de buurtbewoners verbaasde zich erover dat hij al meer dan 50 jaar feitelijk op 'Den Berg' woont. Zo zie je maar een cursus Liempdse geschiedenis loont en waarbij je nooit te oud bent om te leren. 

 

Het jaar 1340 op Kasteren in Liempde

Door Ger van den Oetelaar

De 1e juni in het jaar 1340 op Kasteren in Liempde

De familie wordt wakker in hoeve van Jan van Casteren aan Die Hoghe Straat (Hoogstraat) op Kasteren rond zonsopgang om half zes. De hoeve (zie afbeelding) is gelegen in de buurt van het Sint Anthonis Huysken. De zon is nog niet echt zichtbaar, maar er is net genoeg licht om in het huisje wat roggebrood te kunnen eten. De koeien zijn ook al wakker en laten zich horen. Ze weten dat ze weer naar buiten mogen.

De oudste zoon Yde van veertien pakt een touw. Hij moet die dag vier koeien richting Gemonde brengen. Maar eerst moeten er twee koeien gemolken worden. Samen geven ze bijna een emmer melk. Die brengt hij meteen naar moeder Agnes, zij maakt er samen met de emmers melk van de vorige twee dagen boter van. Vlak bij de beek staat een heleboel uitgeschoten gras dat nog net niet in het zaad is geschoten. Ideaal voor de koeien. Gelukkig is het maar een kwartiertje lopen met de vier makke koeien. Wel is het lastig dat Yde bij de vier koeien moet blijven. Telkens moet hij iets verzinnen om zich te vermaken zonder de koeien uit het oog te verliezen. De koeien mogen namelijk niet in het dichte moerasbos, vol met zwarte elzen terecht komen. In dat bos kunnen ze verdwalen en vast komen zitten. Dan zijn ze een te gemakkelijke prooi voor de wolvengroep. Een paar maanden geleden waren de wolven nog bijna elke nacht te horen. Het geluid kwam wel van de dichte bossen van Gheerlaer (de Geelders) maar voor een wolvengroep is die afstand zo te overbruggen.

Het liefst zou Yde nog een eindje doorlopen naar de Beekse waterloop. Hij is benieuwd of hij een beekforel kan vangen en of de bevers al jongen hebben. Twee jaar geleden had Yde in een grote eik, diep in het moeras dat tegen de beek ligt, het hoge boomnest ontdekt van een zwarte ooievaar. Het is zo’n heel andere vogel als de witte ooievaar die op hun dak broedt. De tweede zoon Rijccart moet de twintig schapen wegvoeren. Hij kiest de route richting Schijndel, door De Stök dan ontmoet hij misschien nog wat mensen. Een tijdje geleden is een kilometer verder ook een gezin gestart met het uitkappen van een ontginningsplek. Op die plek startte een paar jaar geleden een ander gezin, maar de zwarte dood heeft hen allemaal opgeslokt. Gelukkig heeft de pest Rijccart en zijn familie niet bereikt.

Misschien ligt dat wel aan de spreuken die in de huisbalken verstopt zijn. Rijccart laat de schapen vooral ver weg met het grazen beginnen zodat het gras dat dichtbij staat later benut kan worden. Hij weet dat hij erg zuinig op de schapen moet zijn. Niet alleen omdat ze pas geschoren en gebrandmerkt zijn of omdat er lammeren bij lopen, maar ook omdat de schapen hard nodig zijn voor de mest. Dit jaar was er te weinig mest voor de rogge. Als hij goed oplet dan kan hij ervoor zorgen dat er voor volgend jaar wel genoeg mest voor de rogge is. Rijccart weet dat hij echt op tijd terug moet zijn zodat de schapen op tijd in de stal staan. Behalve de koeien en de schapen moeten ook de andere runderen, de varkens en de kippen zorgen voor de mest. Ook moet hij nog eens letten op de vreemde koeien die hij gisteren zag, volgens vader Henricus Rijccarts mochten die koeien niet op de Bodem van Elde aanwezig zijn. Elk jaar gebeurt dat opnieuw. Misschien moet de schutter deze keer weer gewaarschuwd worden. De konijntjes houdt hij goed in de gaten, vorige week hadden ze nog lekker konijn gegeten.

De oudste dochter Hadewig genoemd naar haar beroemde grootmoeder, gaat samen met moeder Agnes de rogge wieden. Door het vochtige weer is er veel onkruid opgeschoten. Het onkruid is makkelijk te verwijderen omdat de grond door het ploegen door vader Henricus Rijccarts mooi rul is geworden. Vanwege de slechte kwaliteit van het huidige roggemeel is dit jaar het plan om de rogge te laten malen op de nieuwe stenen van de Kasterense watermolen.

Jammer dat de weg door de nattigheid bijna altijd heel slecht is. ’s Middags is er misschien nog wat tijd over om de hopranken van de 1600 hopplanten te laten opklimmen. Hetzelfde vochtige weer heeft de hop flink laten groeien. De 400 hopkuilen hebben vorig jaar voor een goede opbrengst gezorgd. De hoeveelheid hopbellen was enorm en van een goede kwaliteit. De Rooische en Bossche brouwers gebruiken hem waarschijnlijk op dit moment om bier te brouwen. Met de opbrengst ervan konden ze hun belastingverplichtingen / cijnzen aan de heer van Helmond voldoen. Ook moeten ze turf aan de familie Van Casteren leveren.

Vader Henricus Rijccarts en Yde werken af en toe samen met buurtbewoners aan het onderhoud van de wegen van het leengoed Ten Bychelaer op Vrilkhoven voor leenman Goosewijn Moedel zoon van wijlen Bertout Dircssoen. Vanwege het dood van leenman Goosewijn wordt binnenkort het leengoed Ten Bychelaer overgedragen, dit gebeurt via een officiële en bijzondere plechtigheid in Brussel, waarbij Ten Bychelaer verheven wordt. Tijdens de ceremonie wordt het leengoed eerst teruggegeven aan de leenheer, Jan III de  hertog van Brabant. Na een betaling en trouwbelofte wordt Ten Bychelaer door de hertog overgedragen aan de nieuwe leenman, zoon Jan Goosewijn Moedel.

Gisteren zijn ze weer samen bezig geweest met het verwerken van hennep en vlas zodat ze hopelijk binnenkort de vezels kunnen spinnen en daarna hun kleren wat kunnen herstellen en vernieuwen. Ook kan dan de schapenwol verwerkt worden.

Vader Henricus Rijccarts staat op met het plan om het dak te herstellen. Alles is droog en het stro kan met de wilgenbanden goed op het dak vastgemaakt worden. Daarmee zal het dak weer regendicht zijn. Vorige week heeft hij de fitselstekwanden opnieuw voorzien van leem uit Gheerlaer. Die was met de voorjaarsregen weggespoeld. Er is nog genoeg stro om het karwei te klaren. Verder is het licht werk. Dat komt wel goed uit na een periode van zwaar werk. Het kappen, weghalen en in stukken hakken van bomen met een bijl is en blijft zwaar werk, zeker doordat de lemige ondergrond vaak modderig is. Hij heeft wel eens gedacht om terug te gaan met zijn gezin naar een wat hogere en drogere plek. Na het zware karwei is er wel hout van een goede kwaliteit om het huis te vergroten en om een extra grote schuur voor de schapen te bouwen.

Ook is de hopest aan vervanging toe. Om te blijven verdienen aan de hop is een goede hopest om de hop te drogen belangrijk. Ook kan het hekwerk verstevigd worden om met name de schapen goed te beschermen. In het najaar moet hij op sommige plekken ook nog extra meidoorn en hulst planten. Met de laatste grote drijfjacht waarin heel Olland actief was, zijn helaas niet alle wolven verdwenen.

Misschien moet hij de nieuwe buurman eens om hulp vragen want de nieuwe eiken balken zijn echt te zwaar om er alleen met eigen gezin gebinten van te maken. Vooral het overeind zetten is een gevaarlijk karwei. Hij zal de buurman binnenkort wel zien in de Boxtelse kerk, want ook hij is zoals iedereen een regelmatig bezoeker van de Petruskerk. De kerkklokken kan hij wel af en toe horen maar het bosgebied is veel te dicht om de kerk ook te kunnen zien.

Het hout voor het houtvuur is bijna op. Ook dat moet vandaag nog naar binnen gesjouwd worden anders kan Agnes geen maaltijd bereiden. Hij houdt van gebakken spek, ook al is het vreselijk zout. Het is al weer een half jaar gelden dat het varken geslacht is. Het roggemeel wordt door moeder Agnes behalve voor brood vooral als brij of andere soorten ketelkost gebruikt. De door het gezin gebruikte tafel is bijna versleten. Gelukkig heeft hij een mooie eiken stam apart gehouden, waaruit hij planken kan halen.

 

Magie

Door Jasper Mikkers

Magie is het voornaamste element in het leven van een jong kind. In mijn kindertijd werd die op allerlei manieren opgewekt en aangewakkerd. Het begon met het zingen in de decembermaand van Sinterklaas- en Kerstliedjes. Ook over Luilekkerland aan de overkant zong ik met mijn zusjes terwijl we in kleurboeken afbeeldingen inkleurden en onze tong verbrandden aan te hete chocolademelk. In de eerste klas leerden we lezen en van toen af lieten we ons betoveren door boeken. We luisterden ook naar verhalen van onze vaders over de oorlog en lieten ons in een roes brengen door toneelstukken en films in het patronaatsgebouw. Verzinsel en werkelijkheid konden we niet scheiden, ik in elk geval niet. Ik was één brok verlangen naar warmte, schoonheid en avontuur. Ver weg, vreemd en schitterend moest het zijn waar ik naar op zoek was. Spelen met fantasieën, daar ging het om. Dat wat ik later als de werkelijkheid leerde kennen, was volstrekte bijzaak.              

Als ik me verveelde, ’s avonds in de zomer, in bed, stond ik op en ging aan het open raam staan. Mijn jongere broertje sliep gewoon door. Het goudgeel licht van de avondzon weerkaatste in het donkere wak van een kippenkooi­raam. Zwaluwen scheerden over de grillige kruinen van perenbomen en plukten insekten uit de lucht. Als ik geluk had, zou ik Peter Pan, Wendy en Tinker Bell door de lucht zien vliegen. Dat moest toch een keer gebeuren. Boer Van Abeelen fietste beneden op straat in overall voorbij. De schemer viel in. Dit was de tijd dat de nachtvlinders, ontwaakten, de meike­vers en andere insekten die de nacht bevolkten.  

De schemer ging over in duister. Nachtvlinders landden op de gordijnen en vlogen de slaapkamer binnen. In het licht van een knijpkat kon ik naar hun prachtige kleuren en de vreemde, geheimzinnige tekeningen op hun vleugels kijken, tekens die ze uit de bodemloze nacht mijn ogen binnendroegen. Hun antennes, grijs, okerkleurig of wit, zagen eruit als minuskule varentakjes. Nachtvlinders waren breekbaar als een droom. Zilverstof kleefde aan zijn vingers als ik de domheid beging naar een vlinder te grijpen die op het gordijn landde. Dan hield ik alleen zwarte stukjes vleugel tussen mijn vingertoppen. De vlinder tuimelde langs het gordijn naar beneden en schoof fladderend over de grond, bij mijn pantoffels.  

Omdat nachtvlinders motten werden genoemd, dacht ik lange tijd dat ze kleren opaten en met mottenballen werden bestreden. Liever dan ze dood te maken wilde ik dat ze kleren aten. In feite waren ze bondgenoten. Als ze de oude, half versleten kleren van mijn oudere broer Cor aanvraten, hoefde ik die todden tenminste niet af te dragen. De motten, geruisloos werkend in het duister van de ingebouwde kleerkast, waren mijn compagnons in de strijd tegen de grote mensen.  

Pas na enige tijd kwam ik erachter dat kledingmotten en nachtvlinders totaal verschillende insekten waren. De vlinders van de mot waren klein en grauw. Ze zagen er onooglijk uit. Hun vleugeleinden waren gerafeld. Als larf verstopten ze zich tussen kleren. Hun aanwezigheid was dikwijls alleen af te leiden uit de vondst van het huidje waaruit ze gekropen waren toen ze zich tot vlinder ontpopten. Uiteindelijk ging ik toch slapen, zonder Peter Pan waargenomen te hebben. Opnieuw was ik niet door hem gevraagd mee te vliegen.  

’s Ochtends liep ik al vroeg door Klein Hoekje naar de kerk om de mis te dienen. De straat bestond uit karresporen en daartussen door hoeven verwond gras. Zwarte plassen weerspiegelden de bomen. Als jongetje was ik bang soms dat zich onder de weerspiegeling van bomen en lucht een bodemloze diepte bevond waarin ik spoorloos zou verdwijnen als ik in het water stapte. Met mijn gummi sandalen tastte ik de rand van de plas af, zette met kloppend hart een voet verder in het water. De bodem van de plas kon wegzakken waardoor ik voorgoed in de diepte zou verdwijnen. Een dier met vlijmscherpe tanden kon zijn tanden in mijn voet zetten. Een plas was geen plas. Wat ik dacht te weten, dat er wel een bodem was, moest opnieuw bevestigd worden. Alles kon opeens anders zijn. Dat was de dreiging die over mijn kinderjaren lag: de onbetrouwbaarheid van de werkelijkheid, en de macht van de groten, de volwassenen, die naar willekeur over het leven van kinderen beslisten. In alles school gevaar, ook in het bekende.  

Waar waren de nachtvlinders gebleven, vroeg ik me af als ik verder richting kerk liep? Wat hadden Wendy en haar broers meegemaakt? Lagen ze inmiddels in bed? Had de krokodil eindelijk kapitein Haak opgegeten? Ik dacht terug aan mijn experiment van alweer een tijdje geleden. Ik had een stoel bij het hekje naast het huis gezet. Vanaf die stoel stapte ik op dat hekje. Aan elke arm had ik een stok gebonden waarop ik kippenveren had vastgespijkerd. Terwijl ik snel mijn armen op en neer bewoog, sprong ik van het hekje. Met een smak kwam ik op het tegelpad terecht. Het duizelde in mijn hoofd. Ik probeerde het opnieuw. En opnieuw. Al wiekte ik nog zo snel met mijn armen, ik slaagde er niet in naar een tak van de populier voor het huis te vliegen. Ik snapte er niks van. 

 

Archeokout 51

Door Jaap van der Woude

De nadagen van 2025 zijn aangebroken: oorlogshitserij, Trumpiaanse verrechtsing en onwillige landbouwministers doen hun uiterste best om van de donkere dagen voor het midwinterfeest een extra koude kermis te maken. Vrede op aarde met extra wapenindustrie, merry christmas voor een cultuurverliezend Europa en een kerststal met mest en geiten, drie hoeraatjes voor onze leiders die ons zo gul voorzien van angst, persbreidel en stikstof. Het is tijd om in alle onschuld ons te omringen met onze dierbaren, copieus te eten en ter kerke te gaan zodat we God ook weer tevreden gestemd hebben. Ach, eindtijden zijn nu eenmaal geen pretje, het is afrekenen en het vestigen van een nieuwe orde.

Dat is dan ook wat er eind zevende eeuw in onze streken gebeurde. De merovingische koningen doolden in decadentie en verwerden tot machteloze, krachteloze marionetten. Hun hoogste bedienden, de hofmeiers, hadden de touwtjes in handen. Dat gold voor alle merovingische heersers, of ze nu koning waren van Austrasië in het noord-oosten, Neustrië van Parijs tot Bretagne of Bourgondië. Allemaal hadden ze hofmeiers die in feite de besturende en militaire macht hadden. Zo was Pepijn II van Herstal de hofmeier van Austrasië, waar Brabant onder ressorteerde. Hoewel Theuderik III de merovingische koning van de drie gebieden tegelijk was, moest hij lijdzaam toezien hoe Pepijn in 687 nbj met een leger Austrasiërs optrok tegen Neustrië. Hij ontdeed zich van de Neustrische hofmeier, werd daar zelf hofmeier regelde vriendjes op belangrijke posities en vertrok naar Jupille vlakbij Herstal. Hij zou tot zijn dood in 714 de opperhofmeier blijven, hoewel hij zijn zoon tot Neustrische hofmeier benoemde. Zo waren er twee niveaus van elkaar uitschakelende heersers, de koninklijke zachte eieren en de hofmeiers.

Pepijn II won en noemde zichzelf de leider van alle Franken en maakte die positie erfelijk, de zwakke langharige koningen lieten het maar gebeuren. Het centrum van de macht verschoof daarmee van Parijs naar Oost-België, waar Pepijn II vele bezittingen had in de Ardennen, de Maasvallei en de Kempen. Zijn vrouw, Plectrudis, was van hoge Austrasische adel en voegde daar landgoederen rond de Moezel aan toe. Zij had de broek aan, zozeer zelfs dat de boodschapper, die de geboorte van een wellicht buitenechtelijke zoon van Pepijn meldde, slechts durfde zeggen dat 'er een kerel gekomen was', waarmee de naam Karel werd geintroduceerd in de frankische top. Dat zou later de redder van Europa worden: Karel Martel. Naar hem worden de volgende generaties de Karolingen genoemd.

Naar goed frankisch gebruik moest nog wel even wat bloed vergoten worden, dus trok Pepijn ten strijde tegen opstandige Schwaben en Saksen in het noord-oosten. Ook de Friezen moesten eraan geloven en verdreven worden uit de rivierendelta tussen de Maas en Utrecht, waar de Friese koning zetelde en waar de Friezen het belangrijke handelscentrum van Dorestad beheersten. Dat kon Pepijn niet velen, bovendien had Koning Radbod met zijn Friese legers herhaaldelijk de grenzen van Austrasië bestookt. De slag bij Dorestad in 689 werd met land- en waterstrijdkrachten gestreden en gewonnen door Pepijn die zo Utrecht heroverde, maar de Friezen bleven in de Vechtstreek. Wellicht ten teken van vrede werd een huwlijk tussen Pepijns zoon en Radbods dochter gearrangeerd. Voor er kroost resulteerde werd Pepijns zoon vermoord.

In 690 nbj kwam Willibrord vanuit Ierland naar Frisia en Austrasië en hij werd direct door Pepijn in Utrecht geplaatst en ingezet om de Friezen in het herwonnen terrein te bekeren. De bekeerlingen (wellicht alleen de belangrijke) kregen een landgoed om ze nog steviger aan de Franken te binden. Willibrord evengeliseerde van Groningen tot Luxemburg, door de paus erkend als aartsbisschop der Friezen, maar was vooral actief en aanwezig in het gebied rond de Dommel. Hem werden vele bezittingen geschonken, die hij niet aan het bisdom in Utrecht doorgaf, maar zelf hield en uiteindelijk onderbracht bij de bezittingen van de door hem gestichte abdij van Echternach. Er is een groot boekwerk dat alle bezittingen van Echternach beschrijft en waarin de documenten van de achtste eeuw zijn opgenomen, de Liber Aureus Epternacensis. Misschien is daar te vinden of er ook gronden en hoeven van Liempde of Boxtel toe behoorden.

Zo zien we dat kerk en staat samenspanden om machtspolitiek uit te oefenen. Dat heeft zich daarna nog ruim duizend jaar herhaald. De scheiding van kerk en staat is formeel in de late achtiende eeuw in de VS en in Nederland sinds 1848 geregeld. In de VS lijkt dat onder Trump een schijnvertoning, maar atheisme was altijd al not done in de amerikaanse maatschappij die is doortrokken van een zeer conservatieve vorm van christendom. Ook in Nederland hebben we onlangs nog mogen genieten van de strijd tussen de artikelen 1 en 23 van de grondwet en Bonteballen die daar wat over miskleunen. Tja, zo op het eind van het jaar is iedereen moe en zulks draagt niet bij tot de feestvreugde. Niettemin wens ik allen een behouden midwinter en een kèk 2026.

 

Elite van Kasteren, aanvulling

Door Ger van den Oetelaar

Nog meer elite op Kasteren

Een van de meest interessante hoofdstukken in het op 8 november 2025 verschenen Kasterenboek is het hoofdstuk van Désiré van Laarhoven–Van Abeelen. Het gaat over elitevorming op Kasteren die begint met de familie Van Kasteren / Casteren en uitkomt (o.a.) bij de familie Van Abeelen. Mede-auteur van het Kasterenboek Martien van Asseldonk attendeerde me de dag na de presentatie op Hendrik de zoon van Jan van Woluwe. Hij hield vanaf het jaar 1326 68 bunder op Kasteren van de hertog van Brabant in leen. Henricus heeft deze 68 bunder met toestemming van de hertog van Brabant verkocht aan de inwoners van Liempde.
Henricus, zoon van wijlen Johannes van Woluwe, is waarschijnlijk identiek aan Henricus van Casteren en zal op Kasteren  gewoond hebben. Zijn vader, Jan van Woluwe (of van Kasteren), was zeer waarschijnlijk ook rentmeester van de hertog van Brabant. Op het kaartje hierbij is de Kasterense locatie van de 68 bunder weergegeven.

 

Was café Appeldoorn een voormalig Gildehuis?

Door Jan van de Sande 

Was café Appeldoorn een voormalig Gildehuis?

Uit de verslagen over de grote brand op Kerkeind in 1864 kun je concluderen dat het Gilde Sint Antonius Abt en het St Barbara Gilde hun gildehuis hadden bij café Appeldoorn1),  tegenover de schuurkerk gelegen. Hun bezittingen waren gedeeltelijk ondergebracht in dit café. In die tijd was het voor een gildehuis een voor de hand liggende plaats. Vanaf wanneer hier het gildehuis was is niet bekend, maar zeker is dat al vele jaren voor de brand hier een tapperij was gevestigd. In 1827 was hier Gijsbertus Timmermans, geboren Liempdenaar, tapper. Vanaf 1835 is Arnoldus Weyma de tapper. Hij is geboren in Veldwerk (België, bij Lanaken). Hij had 5 kinderen, de oudste, Johannes is geboren in Erp, Johanna in Baarle Nassau, Theodora in Baarle Hertogen Lodewijk en Pieter in Liempde. Het bevolkingsregister laat zien dat hij in 1850 weer vertrokken is uit Liempde. Het café is in 1832 eigendom van de weduwe van Willem van de Krabben te Boxtel. In 1837 wordt het pand verkocht aan Catharilla van de Krabben te Boxtel huisvrouw 2) van Jan van Susante. Hetzelfde jaar wordt het weer verkocht aan Adrianus Appeldoorn, timmerman te Liempde.
Adrianus woont  dan samen met zijn vrouw bij zijn vader en 2 broers op Vrilkhoven. Ook wonen bij de familie 2 meiden en 1 knecht in die schaapsherder is. Adrianus is in 1836 getrouwd met Wilhelmina Welvaarts, geboren te Liempde in  augustus 1804. Adrianus zelf is geboren in april 1806.
In 1839 woont Adrianus met zijn gezin in het pand. Hij heeft een druk bedrijf. Hij is boer, tapper, bakker en winkelier tegelijk. Hij krijgt in totaal 10 kinderen. Bij hem in wonen ook nog een bakkersknecht, een klompenmaker gezel en een bouwmanknecht. Deze laatste is Johannes Welvaarts, een neef van zijn vrouw. Johannes heeft tot 1 mei 1855 bij hen ingewoond als knecht en is toen vetrokken naar Waspik. Johannes heeft zeker nog het een en ander gezien van het gilde en ook de attributen die bij Appeldoorn bewaard werden. Johannes was mijn overgrootvader van moeders kant.
Zo gauw ik um zie zal ik ’t um vraoge mèr ik hoop dè dor nog enkele jaore overhinne gaon.
De tante van mijn overgrootvader was dus de kasteleinsvrouw van het gildehuis tot aan de brand in 1864. Adrianus heeft na de brand ergens in de buurt een onderkomen gehad want in november 1864 wordt hij nog  samen met 9 andere personen uit Liempde voorgedragen voor  benoeming van een van de 5 zetters3) voor de dienst van 1865. Er staat dan nog steeds als beroep tapper, bakker, winkelier en landbouwer achter zijn naam. Hij heeft op dezelfde plaats als waar nu de Punder staat de zaak herbouwd. Zij vrouw Wilhelmina  Welvaarts overlijdt in december 1896. In 1872 neemt zijn zoon Martinus de zaak over. Hij is in april 1872 gehuwd met Barbara van de Langenberg te Boxtel. Zij was hier geboren en woonachtig. Adrianus vertrekt in december 1872 naar Vrilkhoven en gaat inwonen bij zijn zoon en dochter die daar wonen vanaf december 1869. Voor hem woonde hier Cornelis Appeldoorn4) met zijn vrouw.

Martinus en zijn vrouw krijgen een gezin van 7 kinderen waarvan er 4 in de leeftijd variërend van 0 – 5 jaar vroegtijdig overlijden. Zijn zoontje Adrianus overlijdt door een tragisch ongeval in huis. In een onbewaakt ogenblik is hij (17 maanden oud) tegen een tobbe met melk opgeklommen en er in gevallen en verdronken5)

1) latere eigenaars / uitbaters Matthijs van den Oetelaar, Jacobus van Vlockhoven, Marinus de Punder, Hans van Kessel, Pieter van de Berk, Jos Evers, Toon van Genugten.
2)vroeger de aanduiding voor een getrouwde vrouw
3)een soort van belastinginner. Adriaan is tot zetter gekozen.
4)Cornelus heeft na de grote brand 3 maanden onderdak gegeven aan de pastoor en zijn kapelaan
5)Zie de nieuwsbrief van 15 maart van dit jaar ‘een dramatisch ongeval.

 

 

In Balans, deel 3, door Frans van de Langenberg

Door wijlen Frans van den Langenberg, oud-secretaris Stichting Kèk Liemt 2006

O die ha die fout gemakt mi dè aonbesteën van ut zwembad. Mèr ut waar toch niej zoveel geld docht ik. Ho Ho riep Harrieke, dieje miens ha gin fout gemakt, dè waar mer un vergissing. Geleerde miensen maken gin fouten die maken vergissinge, wij gewoon miense maken foute, die kunne wir gen vergissinge maken. En zin ik, wè denkke van van Erp. Van Erp jao die hebbe ze op skerp gezet, en di he al uns op de wip gezeten ok, en in de mallemeulen hi al uns ingezeten. Ik wil um unne goeije raod geven vruuger toen ik soldoot waar, stond ur op mènne mouw van mènne jas in unne halve boog Je Maintendrai en gullie wit aollemaol wè dè betekend, ik wies niej wè ut betekende, mèr gullie toch wel zeker? Je Maintendrai betekend ik zal handhaven. Verrekt zin Driekske dur skiet me nog iet te binnen, ik kuirde een por daag geleeën dur Loeeind dor langs dun tip (Barrierweg noemen ze dè tegeworrig) zie ik dor un piep klein brodtje bè unne miens veur in dun hof staon. Dor ston op stem Balans, ik moes verdomd goeit keijken wètter op ston. Zo klein, ik docht bèmen eige als Balans alles zo klein aonvat dan weet ik ok niej wè dè moet worre. Ja mer dè is opgelost zin Hannes want dur is un heel groot bord komme staon van de Partij Criessus Daagt Alom in ut kort betekend dè CDA, op D’n Tip en ‘sanderedaags waar ut brodtje van Balans in eens stuk grotter geworren. Ut kon nog wel niej tippen aon dè bord op dun Tip, mèr dur zit groei in, ik denk dÇ dur un sort comppetietie wort tusse die twee borden. Naris en Januske waren in dieje tussen tètok wir trug mi die twee vrouwen. We vroege hoe ut gegaon ha. Ze han dur niej veul praot over. Est wir unne keer veurvalt dan godde gullie mèr vort mee de natuur in, dë vrouwvolk vraogt oen ut hemd van ut lijf en daor bè zin Januske vlugklaor ik ben un hil bietje ligter geworre in menne broekzak. Wij begrepen ut niej allemaol wor ze ut overhan. Dor in eens ging de tillefoon in de bus, ik viet um op en zin met de chauffeur van de Buurtbus. Ja hier mi de Centrale, ik zeg Centrale, wè Centrale, ik weet niks van unne Centrale af. Ja wor blefde gè mi ouw bus, we zin al uren jou aont zuuke. Ik zeg worrum men zuuken? Jao zin dieje miens ge moet volk reijen, miense ophaolen bè de haltes van de bus. Ik zin bè miens lult toch niej, ik zit in de Buurtbus dè is un bus um te buurte en niej um volk op te haolen. Dor stao mi grote letters veur op de bus BUURTBUS. En dieje miens iwer kooit en hij zin komt es de wir gaoi nor de garage anders zal dur wè weien. Dus ik ha dè hillemaol verkeerd begrepen mi diej Buurtbus. We reeën mer gauw op turp aon mi ons bus. En ik waar men baontje es Buurtbuschauffeur in één rit kwet en ok utgebuurt.

 

Beeldbankvraag

Groepsportret met muzikanten, evkl021084. Wie weet de namen van de heren? Wie helpt? Antwoorden kan via info@kekliemt.nl. Bij voorbaat hartelijk dank.

Els Vissers

 

Erfgoedvereniging Kèk Liemt


Keefheuvel 20, 5298 AK Liempde
E-mail: info@kekliemt.nl